Posts tonen met het label NIMOS. Alle posts tonen
Posts tonen met het label NIMOS. Alle posts tonen

woensdag 18 december 2019

Projekta introduceert gender checklist voor milieu-programma's

In een volle zaal van Courtyard by Marriott deden bijna 50 personen van diverse organisaties en ministeries op donderdag 12 december 2019 mee aan een workshop “Checklist voor gender-gevoelige projecten, programma’s en wetgeving”, welke werd georganiseerd door Projekta, in het kader van het SRJS Programma. De workshop was erop gericht een draft gender checklist voor milieu-gerelateerde programma’s voor te leggen aan de deelnemers en samen met hun de bruikbaarheid na te gaan en verbeterpunten mee te nemen.

Het was een van de vele activiteiten die Projekta reeds heeft uitgevoerd binnen het Shared Resources Joint Solutions (SRJS) programma,  een 5 jarig strategisch partnerschap tussen IUCN Nederland en WWF Nederland dat  in 16 landen wordt uitgevoerd. In Suriname zijn naast Projekta, ook de Vereniging van Inheemse Dorpshoofden Suriname (VIDS), Amazone Conservation Team (ACT) Suriname, Green Heritage Fund Suriname (GHFS) en Tropenbos International Suriname (TBI-S) deel van hiervan via WWF Suriname.
Projekta bouwt binnen het SRJS-programma al een paar jaar aan de capaciteit van de partnerorganisaties op het gebied van gendergevoelig programmeren. Eerder werden er onder andere workshops georganiseerd om de organisaties de basis te leren van wat gender is, maar ook basis van gendermainstreaming en genderanalyse. 

Leren gender-gevoelig  programmeren is niet alleen belangrijk voor de SRJS-organisaties. In de aflopen maanden was er een toegenomen belangstelling vanuit andere organisaties en overheidsinstituten. Aan een groot deel daarvan heeft Projekta reeds een workshop ‘Kennismaken met Gender’ verzorgd.

Ook deze organisaties en instanties hadden grote belangstelling voor de workshop. Naast de SRJS-organisaties hebben medewerkers van de minsteries van Natuurlijke Hulpbronnen, Sociale Zaken en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer, Defensie en het Kabinet van de President Coordinatie Milieu, alsmede UNDP, SuReSur, NIMOS (en het NIMOS-REDD+ kantoor), Anton de Kom Universiteit (waaronder het Institute for Women, Gender and Development Studies (IWGDS)), Stichting Bosbeheer en Bostoezicht (SBB), CELOS, Probios, Surinaams Rode Kruis, Vereniging van Saramaccaanse Gezagsdragers (VSG) / KAMPOS, Nationaal Coördinatie Centrum voor Rampenbeheersing (NCCR) en Stichting Fonds Ontwikkeling Binnenland (FOB) enthousiast geparticipeerd. 

Sharda Ganga heeft de deelnemers uitgelegd waarom een genderperspectief nodig is bij milieu-gerelateerde programma’s en waarvoor de gender checklist dient. Indien gender niet in acht genomen wordt, mis je bijvoorbeeld complementaire kennis, vaardigheden en percepties van leefomgeving, milieu en biodiversiteit. Verschillen in kwetsbaarheden en noden bij klimaatverandering worden zonder genderperspectief ook over het hoofd gezien. En, ook niet onbelangrijk, een genderperspectief komt de efficientie van een project ten goede. 
Bij een korte rondvraag moest een groot deel van deelnemers tot hun schaamte toegeven dat zij wel eens pas na aanvang van een project “gender hebben toegevoegd” omdat het moest van de donor. 

Om het voor organisaties makkelijk maken om op een laagdrempelige manier programma’s te ontwerpen, uitvoeren en/of evalueren (na te gaan hoe gender-gevoelig die zijn (geweest)) ontwikkelde Projekta drie gender checklists: een uitgebreide checklist voor projecten & programma’s; een verkorte versie van de checklist voor projecten & programma’s; en een checklist voor wetgeving.

Rayah Bhattacharji van Projekta heeft een presentatie gegeven van twee programma’s waarop Projekta de checklists heeft losgelaten, te weten REDD+ en de Global Climate Change Alliance+ (GCCA+) Flagship Initiative, en een wetgevingsproduct, de draft Natuurbeschermingswet, een product van het project ‘Onze Natuur Op 1’. 

Uit deze exercitie bleek onder andere dat er groot verschil was tussen beide projecten, voor wat gender mainstreaming betreft. Ook wordt het niet overal even diepgaand en consequent toegepast. De concept Natuurbeschermingswet is zeker niet gender-sensitief: in het proces van de totstandkoming is er geen rekening gehouden met de rollen en behoeften van mannen en vrouwen, en zelfs enkele bewoordingen in de wet zijn bewust niet gender-neutraal. 
Uit deze exercitie bleek duidelijk de noodzaak voor een gemakkelijke manier om elke fase van een project, programma of wet gender-sensitief aan te pakken.

Na aandachtig te hebben geluisterd, werden de aanwezigen aan het werk gezet. Nauwkeurig zijn zij nagegaan welke gaps en onduidelijkheden er zijn. De komende periode zal Projekta de ontvangen feedback verwerken, zodat de checklists uiteindelijk aangepast en geoptimaliseerd aan de toekomstige gebruikers kunnen worden uitgereikt. 

vrijdag 13 november 2015

Ontwikkelingsdoelen kunnen nog niet in nationaal beleid

Door: Wilfred Leeuwin

Nu al staat vast dat het in Suriname aan de meest belangrijke voorwaarden ontbreekt om de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s) vertaald te krijgen in nationaal beleid.
Nationale instituten als de Stichting Planbureau Suriname, het Algemeen Bureau voor de statistiek (ABS), Het Nationaal Instituut voor Milieu en Ontwikkeling in Suriname (Nimos) en belangrijke ontwikkelingsministeries, ontbreken de nodige handvatten, technisch en ontwikkelingskader, wetgeving en ze zijn te afhankelijk van wat de politiek hen dicteert.

Suriname heeft, samen met 192 andere landen,zeventien nieuwe duurzame ontwikkelingsdoelen goedgekeurd en zich verplicht die te realiseren. De doelen moeten uiterlijk in 2030 door de landen worden gehaald. Tijdens een lezing van Stichting Projekta dinsdagavond in het Lala Rookhgebouw is hierover gediscussieerd. De centrale vraag was aan welke van de zeventien doelen Suriname prioriteit zal geven en hoe ze worden omgezet in nationaal beleid.

Voorafgaand aan de discussie hebben de panelleden Anjali Kisoensingh van het ABS, Lilian Tangali van het Planbureau, Donovor Bogor van het Nimos en Jacqueline Warso van het ministerie van Buitenlandse Zaken vanuit hun beroep inzicht gegeven in wat nodig is en hoe het omzetten van de doelen in nationaal beleid zou moeten plaatsvinden.

Kisoensingh zegt dat met de SDG's er een taakverzwaring is opgetreden voor het ABS als data- en onderzoeksinstituut. Net als alle andere inleiders benadrukt zij het probleem van dataverzameling in Suriname. Warso die het voortraject heeft aangegeven van hoe de SDG's tot stand zijn gekomen, merkt op dat Suriname anderzijds wel veel heeft bijgedragen aan de internationale discussie. Zeker op het gebied van klimaatverandering en milieu.

Bron; dwtonline.com. De uitgebreide versie van dit artikel is verschenen in dWT van 12 november 2015. 

donderdag 12 november 2015

SDG’s voor Suriname: nog een lange weg naar een onderbouwd ontwikkelingsplan

Op 27 september 2015 is door de landen in de wereld, inclusief Suriname, een nieuwe ontwikkelingsagenda, genaamd de Sustainable Development Goals (SDGs) die ook wel Duurzame ontwikkelingsdoelen genoemd worden, aangenomen. Deze nieuwe ontwikkelingsagenda die 17 doelen telt, is het vervolg op de  Millennium Development Goals (MDGs),  die slechts 8 doelen kende. Een nog grotere ambitie en uitdaging dus, voor de VN lidlanden. De landen zullen nu moeten kiezen welke doelen, en welke targets binnen die doelen, prioriteit zullen hebben in hun nationale ontwikkelingsstrategie. Om ons inzicht te geven in het proces om de prioriteiten van Suriname te stellen en hoe deze doelen vertaald zullen worden naar ons nationaal beleid is een panel van deskundigen uitgenodigd op de tweede activiteit van de Democratiemaand 2015.

Jacqueline Warso, Buitenlandse Zaken
 Mw. Jacqueline Warso is bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, de Coördinator van de UN programma’s in Suriname. Zij was o.a. belast met de redactie van Suriname’s rapportage betreffende de Millennium Development Goals. Mw. Warso belichtte het traject dat internationaal doorlopen is om te komen tot de SDGs. Zij gaf aan dat Suriname in Caricom en SIDS-verband, maar ook in G77 (+China) verband, betrokken is geweest bij het proces van het totstandbrengen van deze internationale doelen. Suriname’s bijdrage heeft zich voornamelijk gericht op de vraagstukken van klimaatsverandering, armoede, gelijkheid, gezondheid met het accent op de Niet-Overdraagbare Ziekten (NCD’s). Ook is door de Minister van Buitenlandse Zaken van Suriname benadrukt dat Partnerschap en een multi-sectorale benadering essentieel zullen zijn voor het succesvol behalen van de SDGs. Suriname heeft verder geparticipeerd aan de Finance for DevelopmentConference, waarop besproken is hoe de realisatie van deze doelen gefinancierd zal moeten worden. Suriname heeft op dit forum aandacht gevraagd voor de specifieke uitdagingen waarmee midden-inkomen landen, als Suriname, geconfronteerd worden.

Volgens mw. Warso vragen deze doelen om een multisectorale benadering, waarbij alle partners vanaf de planning tot aan de implementatie en evaluatie, betrokken zijn. Zij geeft aan dat deze benadering niet nieuw is en ook niet eenvoudig te bewerkstelligen. Daarvoor is de commitment van alle stakeholders belangrijk. Voor het bereiken van succes is de ownership en buy-in van de burgers van eminent belang. Zij ziet deze activiteit van Projekta en het Burgerinitiatief als een goede eerste stap daartoe.  Vanuit de zaal is later in de discussie het belang hiervan benadrukt en is aangegeven dat er in Suriname reeds best practices van deze multi-stakeholder en multi-sectorale aanpak bestaan. Het Health in All Policies (HIAP) traject, is een voorbeeld van zo een aanpak op nationaal niveau, maar ook het Burgerintiatief voor Participatie goed Bestuur is een multistakeholder, multisectoraal platform, maar dan voor Civil Society. Het Adolescenten programma van de Presidentiele Commissie Kinderen en Jongerenbeleid, en Unicef, welke wordt uitgevoerd door Projekta in Moengo en Sophia’s Lust is een voorbeeld op lokaal niveau. Het wiel hoeft dus niet opnieuw uitgevonden te worden.

Donovan Bogor, NIMOS
Dhr. Donovan Bogor, Field officer bij het Nimos, die ook lid was van de redactiecommissie voor de MDG rapportages aan de VN, gaf aan dat anders dan bij de MDGs het geval was, bij de SDGs een bottoms-up benadering, gehanteerd is. Dus het zijn niet de deskundigen of bureaucraten die weer eens van achter hun bureau hebben gezeten om de doelen te formuleren, maar dat deze keer Staten, het maatschappelijk middenveld (NGO’s) en andere actoren betrokken zijn geweest. De zaal merkte op dat de bottom-up benadering niet door de Surinaamse regering is toegepast in de voorbereidende fase van de totstandkoming van de SDGs. Dhr. Bogor gaf verder aan dat er een Tripple bottom-line principle wordt gehanteerd bij het kijken naar ontwikkeling, waarbij Mens, Milieu en Economie, centraal staan. Met de sustainability- gedachte (duurzaamheid), wordt benadrukt dat ontwikkeling moet, maar niet ten koste van het milieu. Vandaar dat er meer ‘milieu-doelen’ zijn vastgesteld en milieu dan ook als een aspect wordt gezien die in alle doelen verweven is (cross-sectoral). Dhr. Bogor benadrukt dat klimaatsverandering voelbaar is in de zak van de burgers en de overheid. Verder zijn een heleboel sectoren afhankelijk van klimaatdata. Vandaar dat er in Suriname, willen wij de doelen realiseren, gewerkt moet worden aan capaciteitsversterking.Verder moeten er indicatoren geïdentificeerd worden voor het meten van de progressie. Vanuit de zaal werd de aandacht gevraagd voor de link die er bestaat tussen het realiseren van de ‘milieu-doelen’ en het realiseren van de doelen die zich op honger en armoede richten.

Lillian Menke-Tangali, Planbureau Suriname
Het vraagstuk van de avond is hoe wij zullen geraken tot het incorporeren van de SDGs in het nationaal ontwikkelingsbeleid van Suriname. Het Planbureau is het instituut dat volgens de wet de taak heeft om dit ontwikkelingsbeleid op te stellen. Mw. Lillian Menke-Tangali is Onder-directeur van het Planbureau en zij informeerde de aanwezigen over hoe de totstandkoming van het ontwikkelingsbeleid nu (een paar regeerperioden) verschilt met wat het vroeger was. Behalve het veranderen van de naam van Meerjaren Ontwikkelingsplan (MOP) naar Ontwikkelingsplan (OP), zijn de beleidsnota’s van de verschillende ministeries niet meer de basis voor de OP. De regeringsverklaring vormt nu de basis voor de OP.

Na de opdracht van de minister belast met Planning te hebben gehad voor het samenstellen van een Terms of Reference (TOR) en de goedkeuring van TOR te hebben ontvangen worden er door het Planbureau hearings gehouden. Nadat de inhoud van de hearings is verwerkt wordt een concept gemaakt. Het finaal document wordt voor goedkeuring aangeboden aan de Staatsraad en daarna aan DNA. Het plan is finaal als het door de President wordt gepubliceerd in het Staatsblad. Deze procedure wordt, volgens mw. Menke nu niet meer toegepast. Vanuit de zaal is kritiek geleverd op aard van de hearings, die naar hun aard en het feit dat zij eenmalig waren, niet de ruimte boden voor zinvolle participatie in beleidsformulering. Ook is  aandacht gevraagd voor het feit dat de kwaliteit van de (M)OP, sterk achteruit is gegaan. Het gebrek aan duidelijke doelen, indicatoren en een tijdslijn vormden de basis voor de kritiek.

Volgens mw. Menke vormt het feit dat het in het geval van de SDGs om veel doelen en nog veel meer indicatoren gaat een uitdaging voor het incorporeren van deze doelen in de OP. Er zullen dus prioriteiten gesteld moeten worden. Op de vraag vanuit het publiek, welke doelen als prioriteit zijn geïdentificeerd en door wie de selectie is gedaan geeft mw. Menke aan dat er nog geen prioriteiten zijn geïdentificeerd. Volgens haar zou de overheid dit in samenspraak moeten doen met de private sector, het maatschappelijk middenveld en vooral de regionale organen. Vanuit het publiek werd het initiatief van het ministerie van Regionale Ontwikkeling die met het projekt Localizing the SDG’s, is gestart aangehaald, als voorbeeld van het betrekken van de locale gemeenschappen, bij dit proces. Dit project heeft tot doel de burgers in de locale gemeenschappen te informeren over de SDGs en samen met hen na te gaan, hoe zij kunnen bijdragen tot het realiseren van deze doelen.

Mw. Menke geeft aan het eens te zijn met de aanwezigen dat een OP van duidelijke targets, indicatoren en een tijdspad moet zijn voorzien. Zij vult verder aan dat er voor elk doel baseline data moet zijn. De uitdaging is echter dat wij in Suriname veel data ontberen. Op de ministerie zouden er gedegen statistieken verzameld moeten worden en er zou meer response moeten zijn op surveys. Er zou verder een goed monitorings- en evaluatiesysteem opgezet moeten worden.

Vanuit de zaal werd ingebracht dat wij tot nu toe steeds achter de feiten hebben aanlopen. Het traject van de MDGs wordt in dit kader aangehaald. De nationale plannen waren al gemaakt en wij moesten hals over kop trachten deze af te stemmen op de MDGs toen die aangenomen zijn. Nu, onze OP en de andere samenwerkingsverbanden met de VN (de UNDAF) aflopen, hebben wijde gelegenheid om een midden-lang en lang-termijn visie en beleid te projecteren, waarin de nieuwe wereld doelen, vanaf het begin geïncorporeerd zijn. Vanuit de zaal werd ook aangespoord om bij het maken van de nieuwe OP de doelen als een samenhangend geheel te benaderen en werd een ontwikkelingsvisie geëist die gebaseerd is op ideologie en harde data.

Anjali de Abreu-Kioensing, ABS
De vierde spreker van de avond was mw. Anjali De Abreu- Kisoensingh. Mw. De Abreu is staflid op de afdeling wetenschappelijk onderzoek en Planning van het Algemeen Bureau voor de Statistieken (ABS) en zij is binnen dit instituut de SDG-data focal point. In haar presentatie benadrukte zij het belang van de beschikbaarheid van baseline en andere bij-de-tijdse- data voor het maken van schattingen en het meten van progressie. Een van de grootste obstakels die hierbij wordt ondervonden is het ontbreken van een nationaal gedragen definitie van armoede en wijze van berekening van de armoedegrens.  Dit is een politiek gevoelige kwestie, werd duidelijk uit de discussie die volgde.
Het gebrek aan medewerking van huishoudens, maar meer nog het bedrijfsleven om te informatie te geven over het inkomen / de inkomsten is een groot probleem. Bij de laatste census waren daar vragen over opgenomen, maar de response op die vragen was zo klein dat de cijfers gewoon niet gepubliceerd kunnen worden. Volgens mw. De Abreu is er een concept wet, ‘Statistiekwet’, die burgers en bedrijven verplicht te participeren aan surveys, voorbereid door het ABS en aangeboden voor goedkeuring. Echter is hierover nog geen uitsluitsel gekregen. Volgens de zaal ligt op dit gebied werk voor de ABS om het belang van het inwinnen van inkomsten data en het belang van een definitie van armoede aan de samenleving en de beleidsmakers duidelijk te maken. De ondersteuning van het maatschappelijk middenveld werd hen dan ook toegezegd.


Al bij al scheen er op deze avond een consensus te zijn tussen de aanwezigen dat er nu een kans is om een ontwikkelingsbeleid gebaseerd op een visie te ontwikkelen, die ons als land instaat zal stellen om de gestelde doelen te realiseren. Om dit goed te doen moeten wij onze nationale instituten versterken en ze daadwerkelijk toestaan om onafhankelijk en wetenschappelijk onderlegd, hun werk te doen. Verder moet in het proces echte partnerschap, gekenmerkt door betrokkenheid en medezeggenschap, en openheid tussen de partners, centraal staan.