Posts tonen met het label democatiemaand. Alle posts tonen
Posts tonen met het label democatiemaand. Alle posts tonen

donderdag 1 december 2016

Rekenkamer van Suriname voldoet nog niet aan internationale standaarden

Een goed functionerende Rekenkamer is een belangrijk mechanisme om de efficiëntie, effectiviteit, rekenschap en transparantie van de overheid te verbeteren, doordat zij toezicht houdt op alle overheidsfinanciën. Rekenkamer-voorzitter Charmain Felter verzorgde het mini-college ‘De Rol van de Rekenkamer in Goed Bestuur’ als onderdeel van Democratiemaand 2016, georganiseerd door Projekta met het Burgerinitiatief voor Participatie en Goed Bestuur.

De Lima Declaratie (1977), Mexico Declaratie (2007) en de UN Resolutie (2011) geven richtlijnen voor de onafhankelijkheid van een Rekenkamer. De Rekenkamer van Suriname (Kamer) heeft zich in 1954 gecommitteerd door toe te treden tot de International Organisation of Supreme Audit Institutions (INTOSAI), de internationale overkoepeling van alle Rekenkamers. Volgens de voorzitter, voldoet de Rekenkamer van Suriname nog niet aan alle voorwaarden  en standaarden waaraan de staat zich heeft gecommitteerd, hoewel het proces al is ingezet.

De wet “Rekenkamer Suriname” geeft aan dat zij een onafhankelijk instituut is, maar in de praktijk functioneert het instituut meer als een afdeling van het Directoraat Algemene Zaken van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. De Kamer trekt door tussenkomst van voornoemd Ministerie  haar eigen personeel aan maar beheert niet haar eigen fondsen. Ook doet de Kamer tot nu toe alleen ‘compliance’ audits, d.w.z. controles op rechtmatigheid (hebben handelingen volgens de regels en procedures plaatsgevonden) en doelmatigheid (past een handeling bij het doel ervan). Verder kan de Kamer  geen  sancties opleggen als Ministeries geen of onjuiste informatie verstrekken. Deze laatste is een van de  obstakels voor de Kamer om haar werk naar behoren te kunnen doen. 














Eerst staan, dan lopen

Hoewel de Kamer nog moeilijkere tijden dan nu heeft gekend, zoals de periode tussen 2008 en 2011 toen er geen Bestuur van de Rekenkamer was benoemd, heeft zij nog een lange weg te gaan. Er is een Vision 2020 ontwikkeld en in uitvoering, gericht op meer verantwoording, meer transparantie, en betere openbare diensten.

De afgelopen vijf jaren handelt de Kamer wel pro-actief naar de Ministeries toe, door vaker veldbezoeken af te leggen inzake controlevraagstukken. Verder zijn er bijna 40 ‘audit-programma’s’ (standaard stappen bij een controle) vastgelegd, waardoor het werk efficiënter  kan plaatsvinden. Daarnaast zijn er de afgelopen jaren  pilots gedaan voor ‘performance’ controles en financiële controles. Deze controles zullen op middenlang termijn wel  deel uitmaken van het vast programma van de Kamer. In partnerschap met de Inter American Development Bank (IDB), de National Audit Office  van Guyana, de Caribbean Organisation of Supreme Audit Institutions (CAROSAI: de Caraïbische overkoepeling van Rekenkamers) en anderen, wordt gewerkt aan het opkrikken van de capaciteit van het personeel. Ook is een nieuwe website in voorbereiding, waarbij het publiek steeds de meest recente  rapporten van de Kamer zal kunnen downloaden. 

Als onderdeel van de Vision 2020, is een nieuw Rekenkamerwet in voorbereiding, die ervoor moet zorgen dat de Rekenkamer meer bevoegdheden krijgt. Deze Wet moet daarna nog het proces doorlopen van goedkeuring door de Raad van Ministers, de Staatsraad en de Nationale Assemblee.


Een ander groot obstakel blijft het tekort aan gekwalificeerde en deskundige krachten, zoals Register Accountants (die Jaarrekeningen e.d. controleren) en speciale forensische accountants, die zich richten op het opsporen van financiële en economische delicten. Herhaalde sollicitatie-oproepen hebben niet het gewenste resultaat gehad. 

Aan het einde van de sessie, deed de Voorzitter van de Kamer nog een bemoedigend woord, nadat deelnemers hun frustratie deelden over de lange weg die nog te gaan is. 

Juist in periodes van economische crisis, is het belangrijker dan ooit dat elke cent van onze nationale middelen effectief en efficiënt besteed wordt en dat burgers toegang hebben tot informatie over de manier waarop onze Overheid omgaat met deze middelen. Helaas zal de Kamer nog onvoldoende kunnen bijdragen aan die verhoogde effectiviteit, efficiëntie en transparantie.

donderdag 17 november 2016

Interactieve sessies tijdens Democratiemaand

Deelnemers aan de BINI-mini over huiselijk geweld spelen de dagelijkse problematiek van slachtoffers en daders van huiselijk geweld na door middel van een rollenspel
De 9e Democratiemaand is in volle gang. Vandaag is alweer de laatste dag met de zogenaamde BINI-mini’s: mini-colleges voor basiskennis en bewustwording voor niet-deskundigen. Door middel van de BINI-mini’s wil Projekta (in samenwerking met het Burgerinitiatief voor Participatie en Goed Bestuur- BINI) burgers bewapenen met feiten, zodat zij hun mening kunnen vormen en constructief discussies kunnen voeren.
De sessies hadden een zoveel mogelijk interactief karakter, varierend van schrijfopdrachten tot een heus rollenspel. 
Klik hier voor het gehele programma en meld je snel aan voor de laatste BINI-mini’s van deze Democratiemaand. 
Tijdens de besloten sessie met het LGBT Platform
werd er uitgebreid aandacht besteed aan gender
en sekseverschillen tussen mannen en vrouwen
Deelnemers aan de BINI-mini over Mijnbouw en Duurzame
Ontwikkeling kregen op losse vellen de verschillende
schakels in de 'Natural Resource Charter Decision Chain'.
Zij moesten onderling en samen met het publiek
de schakels in de juiste volgorde zetten om zo
de Ketting te vormen.

donderdag 12 november 2015

SDG’s voor Suriname: nog een lange weg naar een onderbouwd ontwikkelingsplan

Op 27 september 2015 is door de landen in de wereld, inclusief Suriname, een nieuwe ontwikkelingsagenda, genaamd de Sustainable Development Goals (SDGs) die ook wel Duurzame ontwikkelingsdoelen genoemd worden, aangenomen. Deze nieuwe ontwikkelingsagenda die 17 doelen telt, is het vervolg op de  Millennium Development Goals (MDGs),  die slechts 8 doelen kende. Een nog grotere ambitie en uitdaging dus, voor de VN lidlanden. De landen zullen nu moeten kiezen welke doelen, en welke targets binnen die doelen, prioriteit zullen hebben in hun nationale ontwikkelingsstrategie. Om ons inzicht te geven in het proces om de prioriteiten van Suriname te stellen en hoe deze doelen vertaald zullen worden naar ons nationaal beleid is een panel van deskundigen uitgenodigd op de tweede activiteit van de Democratiemaand 2015.

Jacqueline Warso, Buitenlandse Zaken
 Mw. Jacqueline Warso is bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, de Coördinator van de UN programma’s in Suriname. Zij was o.a. belast met de redactie van Suriname’s rapportage betreffende de Millennium Development Goals. Mw. Warso belichtte het traject dat internationaal doorlopen is om te komen tot de SDGs. Zij gaf aan dat Suriname in Caricom en SIDS-verband, maar ook in G77 (+China) verband, betrokken is geweest bij het proces van het totstandbrengen van deze internationale doelen. Suriname’s bijdrage heeft zich voornamelijk gericht op de vraagstukken van klimaatsverandering, armoede, gelijkheid, gezondheid met het accent op de Niet-Overdraagbare Ziekten (NCD’s). Ook is door de Minister van Buitenlandse Zaken van Suriname benadrukt dat Partnerschap en een multi-sectorale benadering essentieel zullen zijn voor het succesvol behalen van de SDGs. Suriname heeft verder geparticipeerd aan de Finance for DevelopmentConference, waarop besproken is hoe de realisatie van deze doelen gefinancierd zal moeten worden. Suriname heeft op dit forum aandacht gevraagd voor de specifieke uitdagingen waarmee midden-inkomen landen, als Suriname, geconfronteerd worden.

Volgens mw. Warso vragen deze doelen om een multisectorale benadering, waarbij alle partners vanaf de planning tot aan de implementatie en evaluatie, betrokken zijn. Zij geeft aan dat deze benadering niet nieuw is en ook niet eenvoudig te bewerkstelligen. Daarvoor is de commitment van alle stakeholders belangrijk. Voor het bereiken van succes is de ownership en buy-in van de burgers van eminent belang. Zij ziet deze activiteit van Projekta en het Burgerinitiatief als een goede eerste stap daartoe.  Vanuit de zaal is later in de discussie het belang hiervan benadrukt en is aangegeven dat er in Suriname reeds best practices van deze multi-stakeholder en multi-sectorale aanpak bestaan. Het Health in All Policies (HIAP) traject, is een voorbeeld van zo een aanpak op nationaal niveau, maar ook het Burgerintiatief voor Participatie goed Bestuur is een multistakeholder, multisectoraal platform, maar dan voor Civil Society. Het Adolescenten programma van de Presidentiele Commissie Kinderen en Jongerenbeleid, en Unicef, welke wordt uitgevoerd door Projekta in Moengo en Sophia’s Lust is een voorbeeld op lokaal niveau. Het wiel hoeft dus niet opnieuw uitgevonden te worden.

Donovan Bogor, NIMOS
Dhr. Donovan Bogor, Field officer bij het Nimos, die ook lid was van de redactiecommissie voor de MDG rapportages aan de VN, gaf aan dat anders dan bij de MDGs het geval was, bij de SDGs een bottoms-up benadering, gehanteerd is. Dus het zijn niet de deskundigen of bureaucraten die weer eens van achter hun bureau hebben gezeten om de doelen te formuleren, maar dat deze keer Staten, het maatschappelijk middenveld (NGO’s) en andere actoren betrokken zijn geweest. De zaal merkte op dat de bottom-up benadering niet door de Surinaamse regering is toegepast in de voorbereidende fase van de totstandkoming van de SDGs. Dhr. Bogor gaf verder aan dat er een Tripple bottom-line principle wordt gehanteerd bij het kijken naar ontwikkeling, waarbij Mens, Milieu en Economie, centraal staan. Met de sustainability- gedachte (duurzaamheid), wordt benadrukt dat ontwikkeling moet, maar niet ten koste van het milieu. Vandaar dat er meer ‘milieu-doelen’ zijn vastgesteld en milieu dan ook als een aspect wordt gezien die in alle doelen verweven is (cross-sectoral). Dhr. Bogor benadrukt dat klimaatsverandering voelbaar is in de zak van de burgers en de overheid. Verder zijn een heleboel sectoren afhankelijk van klimaatdata. Vandaar dat er in Suriname, willen wij de doelen realiseren, gewerkt moet worden aan capaciteitsversterking.Verder moeten er indicatoren geïdentificeerd worden voor het meten van de progressie. Vanuit de zaal werd de aandacht gevraagd voor de link die er bestaat tussen het realiseren van de ‘milieu-doelen’ en het realiseren van de doelen die zich op honger en armoede richten.

Lillian Menke-Tangali, Planbureau Suriname
Het vraagstuk van de avond is hoe wij zullen geraken tot het incorporeren van de SDGs in het nationaal ontwikkelingsbeleid van Suriname. Het Planbureau is het instituut dat volgens de wet de taak heeft om dit ontwikkelingsbeleid op te stellen. Mw. Lillian Menke-Tangali is Onder-directeur van het Planbureau en zij informeerde de aanwezigen over hoe de totstandkoming van het ontwikkelingsbeleid nu (een paar regeerperioden) verschilt met wat het vroeger was. Behalve het veranderen van de naam van Meerjaren Ontwikkelingsplan (MOP) naar Ontwikkelingsplan (OP), zijn de beleidsnota’s van de verschillende ministeries niet meer de basis voor de OP. De regeringsverklaring vormt nu de basis voor de OP.

Na de opdracht van de minister belast met Planning te hebben gehad voor het samenstellen van een Terms of Reference (TOR) en de goedkeuring van TOR te hebben ontvangen worden er door het Planbureau hearings gehouden. Nadat de inhoud van de hearings is verwerkt wordt een concept gemaakt. Het finaal document wordt voor goedkeuring aangeboden aan de Staatsraad en daarna aan DNA. Het plan is finaal als het door de President wordt gepubliceerd in het Staatsblad. Deze procedure wordt, volgens mw. Menke nu niet meer toegepast. Vanuit de zaal is kritiek geleverd op aard van de hearings, die naar hun aard en het feit dat zij eenmalig waren, niet de ruimte boden voor zinvolle participatie in beleidsformulering. Ook is  aandacht gevraagd voor het feit dat de kwaliteit van de (M)OP, sterk achteruit is gegaan. Het gebrek aan duidelijke doelen, indicatoren en een tijdslijn vormden de basis voor de kritiek.

Volgens mw. Menke vormt het feit dat het in het geval van de SDGs om veel doelen en nog veel meer indicatoren gaat een uitdaging voor het incorporeren van deze doelen in de OP. Er zullen dus prioriteiten gesteld moeten worden. Op de vraag vanuit het publiek, welke doelen als prioriteit zijn geïdentificeerd en door wie de selectie is gedaan geeft mw. Menke aan dat er nog geen prioriteiten zijn geïdentificeerd. Volgens haar zou de overheid dit in samenspraak moeten doen met de private sector, het maatschappelijk middenveld en vooral de regionale organen. Vanuit het publiek werd het initiatief van het ministerie van Regionale Ontwikkeling die met het projekt Localizing the SDG’s, is gestart aangehaald, als voorbeeld van het betrekken van de locale gemeenschappen, bij dit proces. Dit project heeft tot doel de burgers in de locale gemeenschappen te informeren over de SDGs en samen met hen na te gaan, hoe zij kunnen bijdragen tot het realiseren van deze doelen.

Mw. Menke geeft aan het eens te zijn met de aanwezigen dat een OP van duidelijke targets, indicatoren en een tijdspad moet zijn voorzien. Zij vult verder aan dat er voor elk doel baseline data moet zijn. De uitdaging is echter dat wij in Suriname veel data ontberen. Op de ministerie zouden er gedegen statistieken verzameld moeten worden en er zou meer response moeten zijn op surveys. Er zou verder een goed monitorings- en evaluatiesysteem opgezet moeten worden.

Vanuit de zaal werd ingebracht dat wij tot nu toe steeds achter de feiten hebben aanlopen. Het traject van de MDGs wordt in dit kader aangehaald. De nationale plannen waren al gemaakt en wij moesten hals over kop trachten deze af te stemmen op de MDGs toen die aangenomen zijn. Nu, onze OP en de andere samenwerkingsverbanden met de VN (de UNDAF) aflopen, hebben wijde gelegenheid om een midden-lang en lang-termijn visie en beleid te projecteren, waarin de nieuwe wereld doelen, vanaf het begin geïncorporeerd zijn. Vanuit de zaal werd ook aangespoord om bij het maken van de nieuwe OP de doelen als een samenhangend geheel te benaderen en werd een ontwikkelingsvisie geëist die gebaseerd is op ideologie en harde data.

Anjali de Abreu-Kioensing, ABS
De vierde spreker van de avond was mw. Anjali De Abreu- Kisoensingh. Mw. De Abreu is staflid op de afdeling wetenschappelijk onderzoek en Planning van het Algemeen Bureau voor de Statistieken (ABS) en zij is binnen dit instituut de SDG-data focal point. In haar presentatie benadrukte zij het belang van de beschikbaarheid van baseline en andere bij-de-tijdse- data voor het maken van schattingen en het meten van progressie. Een van de grootste obstakels die hierbij wordt ondervonden is het ontbreken van een nationaal gedragen definitie van armoede en wijze van berekening van de armoedegrens.  Dit is een politiek gevoelige kwestie, werd duidelijk uit de discussie die volgde.
Het gebrek aan medewerking van huishoudens, maar meer nog het bedrijfsleven om te informatie te geven over het inkomen / de inkomsten is een groot probleem. Bij de laatste census waren daar vragen over opgenomen, maar de response op die vragen was zo klein dat de cijfers gewoon niet gepubliceerd kunnen worden. Volgens mw. De Abreu is er een concept wet, ‘Statistiekwet’, die burgers en bedrijven verplicht te participeren aan surveys, voorbereid door het ABS en aangeboden voor goedkeuring. Echter is hierover nog geen uitsluitsel gekregen. Volgens de zaal ligt op dit gebied werk voor de ABS om het belang van het inwinnen van inkomsten data en het belang van een definitie van armoede aan de samenleving en de beleidsmakers duidelijk te maken. De ondersteuning van het maatschappelijk middenveld werd hen dan ook toegezegd.


Al bij al scheen er op deze avond een consensus te zijn tussen de aanwezigen dat er nu een kans is om een ontwikkelingsbeleid gebaseerd op een visie te ontwikkelen, die ons als land instaat zal stellen om de gestelde doelen te realiseren. Om dit goed te doen moeten wij onze nationale instituten versterken en ze daadwerkelijk toestaan om onafhankelijk en wetenschappelijk onderlegd, hun werk te doen. Verder moet in het proces echte partnerschap, gekenmerkt door betrokkenheid en medezeggenschap, en openheid tussen de partners, centraal staan.