dinsdag 4 mei 2021

Schaduwrapport Projekta: geen echte persvrijheid zonder Wet Openbaarheid van Bestuur

Eind maart heeft Projekta in haar schaduwrapport voor de Universal Periodic Review (UPR) de situatie met betrekking tot persvrijheid aangekaart en aanbevelingen gedaan om de persvrijheid te vergroten, onder andere door inwerkstelling van een Wet Openbaarheid van Bestuur.

Projekta rapporteert ook de gebrekkige toegang die journalisten hebben tot hooggeplaatste overheidsambtenaren, de boycot van sommige journalisten en mediahuizen door regeringen, en de steeds verdergaande centralisering van informatievoorziening vanuit de overheid. 


Persvrijheid

Op de meest recente World Press Freedom Index van de internationale NGO Reporters sans frontières (Verslaggevers zonder grenzen) prijkt Suriname op plaats 19. Politici kloppen zichzelf op de borst: kijk hoe vrij en veilig ons journalistieke klimaat is. In de praktijk zijn er helaas veel voorbeelden waaruit het tegenovergestelde blijkt. Projekta heeft enkele van deze voorbeelden opgenomen in haar schaduwrapport. Enkele aanbevelingen voor meer openheid en vrije meningsuiting zijn de behandeling en aanname van de Wet Openbaarheid van Bestuur, een halt toeroepen aan centralisering van overheidsinformatie (voorziening) en aan het verbieden van toegang van journalisten om verslaglegging te doen van openbare evenementen; het decriminaliseren van laster en smaad en deze plaatsen onder het civiel recht in overeenstemming met internationale standaarden.


Universal Periodic Review

De UPR is het rapportagesysteem waarmee de Human Rights Council (HRC) van de Verenigde Naties (VN), de stand van zaken van mensenrechten van alle 193 VN-lidlanden beoordeelt. De lidstaten rapporteren over hun vorderingen voor het verbeteren van de beleving van alle mensenrechten in hun land. Suriname rapporteert tijdens de 39e Working Group sessie in november 2021. Bij deze derde review voor Suriname wordt de periode mei 2016 – maart 2021 onder de loep genomen.

Tijdens de vorige UPR in 2016 ontving Suriname 171 aanbevelingen van andere landen.  De Staat Suriname ondersteunde een ruime meerderheid van deze aanbevelingen: zij zou die uitvoeren. Projekta concludeert in haar schaduwrapportage dat er sinds 2016 op sommige vlakken wel enige verbetering is opgetreden, maar helaas veel te weinig. In het bijzonder moet er nog veel bereikt worden op het gebied van rechten voor Inheemsen en tribale volken. Er is een enorm verschil tussen kwaliteit van en toegang tot diensten in de stad en in districten en het binnenland.

Projekta rapporteert ook over mensenrechtenschendingen met betrekking tot de aanwezigheid van giftige (afval)stoffen, kinderbescherming, financiële hulp voor kwetsbare kinderen (in tehuizen), mensen met een beperking en het uitblijven van een nationaal Mensenrechteninstituut.

donderdag 1 april 2021

Suriname blijft matig scoren op de Corruption Perceptions Index

De Corruption Perceptions Index (CPI) van Transparency International (TI) schetst een grimmig beeld van de staat van corruptie wereldwijd. Deze jaarlijkse index wijst dit jaar uit dat meer dan twee derde van de 180 landen onder de 50 punten (van de in totaal haalbare 100 punten) scoort. Suriname is hier met 38 punten geen uitzondering op. Wat wel opvallend is, is dat Suriname zes punten minder heeft gescoord dan op de CPI 2019, en daarmee 24 plaatsen lager op de lijst is komen te staan.

Suriname op de CPI 2020

Suriname op de CPI 2019

Zoals Projekta in een eerder blogbericht over de Democracy Index 2020 aangaf, heeft Covid-19 wereldwijd gezorgd voor een toename van corruptie. Dit onderstreept TI ook met hun analyse waaruit blijkt dat corruptie niet alleen de wereldwijde gezondheidsaanpak van Covid-19 ondermijnt, maar ook bijdraagt aan een voortdurende democratische crisis. 

Covid-19 heeft de diepe sociale en economische ongelijkheid extra duidelijk gemaakt en had een disproportioneel negatief effect op groepen die al kwetsbaar waren, waaronder vrouwen en kinderen, inheemse en tribale volken en ouderen. 


Suriname en de regio
Net als op andere plekken ter wereld, hebben overheden op het Amerikaanse continent extreme maatregelen getroffen in de strijd tegen Covid-19, waaronder het afkondigen van noodtoestanden met directe inperking van burgerrechten als gevolg. Deze maatregelen legden de vrijheid van meningsuiting en samenkomst aan banden, verzwakten institutionele checks and balances en beperkten de ruimte voor het maatschappelijk middenveld om haar rol te vervullen. 


Behalve de zwakke overheidsinstituties die de regio kenmerken, had een alarmerende machtsconcentratie in verschillende landen een explosie aan Covid-19 gerelateerde corruptie-cases tot gevolg. TI geeft ook aan dat binnen de hele regio burgers met moeite toegang krijgen tot betrouwbare en up-to-date informatie en noodhulpmiddelen. Het is een uitdaging om de verkregen noodfondsen bij de beoogde ontvangers te krijgen, in plaats van dat deze verloren gaan aan corrupte processen. Als de hulp niet op de goede plek terecht komt, is dit een voedingsbodem voor kwaadaardig populisme en creëert het meer armoede en ongelijkheid, aldus TI. 

Daarnaast is het cruciaal dat overheden maatschappelijke organisaties en journalisten toestaan om te fungeren als waakhond, zodat zij politici en bedrijven ter verantwoording kunnen roepen voor hun keuzes. Helaas gebeurt veelal het tegendeel en worden dit soort crises juist misbruikt door overheden ten koste van  het maatschappelijk middenveld. Een voorbeeld hiervan is El Salvador (score van 36) waarbij er een belangrijke wet die toegang tot informatie mogelijk zou maken, uitgesteld is vanwege de pandemie. Maatschappelijke groepen zouden deze wet juist goed kunnen gebruiken om te monitoren hoe de overheid de Covid-19 gerelateerde fondsen uitgeeft. 

Er zijn ook wel hoopvolle ontwikkelingen, zoals in Peru (ook een score van 38), waar er recent een wet is aangenomen die personen die schuldig zijn bevonden aan corruptie verbiedt om posities in te nemen binnen de overheid of toezichthoudende organen, zoals Raden van Bestuur.

De weg vooruit
Om eerlijk en gelijkwaardig beleid te garanderen, is de publicatie van relevante data en gemakkelijke toegang ertoe van groot belang. Met name in noodsituaties zoals Covid-19 die met zich mee heeft gebracht, is gespecificeerde data over uitgifte en verdeling van geld en middelen noodzakelijk. 

Het is de plicht van regeringen om ervoor te zorgen dat hun bevolking gemakkelijke, toegankelijke, tijdige en betekenisvolle informatie ontvangt, zodat hun hen hierbij verzekeren recht op informatie wordt gewaarborgd. 
Het Burgerinitiatief voor Participatie en Goed Bestuur (BINI) heeft het recht op informatie ook opgenomen in haar visiedocument en beleidsmonitoringsrapporten. Organisaties binnen BINI, waaronder Projekta, wijzen al jaren op het belang van een Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB). In 2017 maakte BINI ook een spotje over de WOB, welke hier te zien is.
Helaas is er in de gemonitorde periode geen vooruitgang geboekt op het gebied van recht op informatie. Het gehele thematische rapport van het thema Goed Bestuur is hier te lezen.

Behalve het publiceren van relevante data en de toegang ertoe mogelijk maken, geeft TI nog drie overkoepelende adviezen welke zeker ook van toepassing zijn op de Surinaamse situatie: 
1. Versterk instituties voor toezicht en controle
2. Zorg ervoor dat het proces van contracten aangaan open en transparant verloopt
3. Verdedig democratie, promoot maatschappelijke ruimte

donderdag 25 maart 2021

Open brief aan de President van de Republiek Suriname

Aan de President van de Republiek Suriname
Zijne Excellentie de heer Chandrikapersad Santhokhi
Paramaribo, 24 maart 2021

Betreft: Pleidooi voor de voordracht van mevr. mr. dr. Manorma Soeknandan

Hooggeachte heer Santokhi,
Manorma Soeknandan
Ondergetekende organisaties zijn zich bewust van de genderongelijkheid en de scheve seksratio in posities van beleid en besluitvorming en benadrukken dat in onze democratische rechtstaat vrouwen evenals mannen het recht hebben voorgedragen te worden voor benoeming in leidinggevende functies op nationaal en internationaal niveau.

Wij bepleiten middels dit schrijven bij U en Uw regering, mevrouw mr. dr. Manorma Soeknandan als kandidaat voor te dragen voor de functie van Secretaris-Generaal van de CARICOM en dat de regering binnen de CARICOM actief de diplomatieke lobby ter hand neemt dat zij ook gekozen wordt.

Wij zijn er ten volle van overtuigd, gegeven haar curriculum vitae, dat zij met haar master en PhD in International Studies, haar trackrecord als diplomaat en haar betrokkenheid bij tal van CARICOMinstellingen over de vereiste capaciteiten en ervaring beschikt om deze leidinggevende positie binnen de CARICOM te bekleden. Bovendien fungeert zij sinds februari 2014 als waarnemend secretarisgeneraal van de CARICOM, en is als zodanig zeer vertrouwd met de lid landen en de uitdagingen van onze regio.

Als portfoliohouder voor Gender binnen de CARICOM zou het voor Suriname een schitterende mijlpaal zijn op het pad naar gendergelijkheid als deze zeer capabele Surinaamse als eerste vrouw in deze belangrijkste positie in onze regio wordt gekozen.

Namens,
Women’s Rights Centre (WRC), Carla Bakboord
Het Institute for Women Gender and Development Studies (IWGDS), Marina de Bies
Het Centre for Peoples Development, Julia Terborg
De Nationale Vrouwenbeweging (NVB), Eline Graanoogst
Stichting Ilse Henar Hewitt Juridische Bijstand voor Vrouwen, Siegmien Staphorst
Projekta, Sharda Ganga
Zami Paramaribo, Vanessa Limon
Stichting Vrouwen in de Politiek (VIP), Judith Faerber
Het Vrouwen Parlement Forum (VPF), Liefda Somo
Ultimate Purpose, Maggie Schmeitz
Unie van Surinaamse Vrouwen (USV), Asha Mungra
Stichting Vrouwen Politieke Alliantie Suriname (VPAS), Ruth Wijdenbosch

maandag 22 maart 2021

Internationale Vrouwendag 2021: de weg naar maatschappelijke gelijkheid gaat niet over rode lopers

Op 8 maart 2021 vond een historische vergadering plaats in de Surinaamse volksvergaderzaal: een buitengewone openbare vergadering van de Nationale Assemblee (DNA) ter gelegenheid van de 100ste viering van de Internationale Dag van de Vrouw. Het verzoek voor deze vergadering werd naast Projekta ook door de vrouwelijke DNA-leden gedaan.

Projekta en de vrouwelijke DNA-leden hebben in aanloop naar de openbare vergadering een paar voorbereidingssessies georganiseerd om met elkaar te kijken hoe de uitdagingen van emancipatie en gendergelijkheid onder de aandacht te brengen. Tijdens de buitengewone openbare vergadering deelden acht vrouwelijke parlementariërs hun visie over de rol van vrouwen. Daarnaast voerden ook de President, Z.E. Chandrikapersad Santokhi en de Voorzitter van de Nationale Assemblee het woord, evenals enkele mannelijke fractieleiders.

In het parlement werd stilgestaan bij de economische, politieke en maatschappelijke verworvenheden van vrouwen. De weg die is afgelegd was “bekleed met hobbels, grote kraters en gladde kanten. Het was geen rode loper,” aldus Patricia Etnel. De weg die nog te gaan is, is ook nog lang: er wordt nog dagelijks strijd geleverd voordat er werkelijk sprake zal zijn van volledige maatschappelijke gelijkheid van vrouwen en mannen.

Het moet me van het hart dat vrouwen nu na 100 jaar steeds weer een eendaags schouderklopje krijgen, om misschien alweer de volgende dag beschimpt te worden,” aldus DNA-voorzitter Marinus Bee.

Dinotha Vorswijk kreeg een soortgelijk gevoel bij deze dag: “Het klinkt wel cliché jaarlijks aan te horen dat vrouwen ook onmisbaar zijn, dat vrouwen betere posities verdienen, dat vrouwen gelijke kansen moeten krijgen. Het lijkt alsof wij van de 365 dagen in een jaar maar één dag de nodige aandacht en waardering krijgen. Het lijkt alsof wij één stap vooruit maken en twee stappen achteruit.

Toch waren en zijn vele vrouwen onvermoeibaar in hun strijd voor een samenleving die vrouwen als gelijkwaardig behandeld en beschouwd.

Jupta Itoewaki (Kawemhakan), Joan van de Bosch (Pikin Poika), Rita Chotoe (Nickerie), Helen Karijodrono (Moengo), Nicolina Djalis (Goede Verwachting), Helene Frijde (Commewijne), Tresna Pinas (Moengo) Naomi van Cooten (Facebook-pagina vrouwelijke ondernemers), Siegmien Staphorst, Annette Tjon Sie Fat en Henna Guicherit (evenals Sheila Ketwaru die helaas vanwege omstandigheden afwezig was), Carla Bakboord en Sharda Ganga waren speciaal uitgenodigd voor deze buitengewone openbare vergadering en werden door onder andere president Santokhi en DNA-voorzitter Bee verwelkomd en beschreven als “sterke vrouwen” en “dya dya uma”. Zij zetten zich sinds jaar en dag in voor de rechten van meisjes en vrouwen binnen hun gemeenschappen en op nationaal en internationaal niveau.

In de woorden van DNA-voorzitter Bee: “Onvermoeibaar en vastberaden wordt deze strijd geleverd in de volle overtuiging dat ooit eens de dag zal komen dat er geen behoefte meer zal zijn aan een dag waarop moet worden stilgestaan bij erkenning van gelijke rechten voor vrouwen.
Jullie inspanning, toewijding en onmiskenbare toegevoegde waarde in de strijd tegen COVID-19 moet niet de reden zijn om de vrouw als waardige opponent te accepteren, maar juist de bevestiging dat u er altijd al was en altijd zult zijn.”
Hij noemde vrouwen de ruggengraat van een natie, “want het is het zogenaamde zwakke geslacht dat over een enorme stuwende kracht schijnt te beschikken om doelen te realiseren dwars door alle barrières heen.”
Leiderschap en besluitvorming
Het Vrouwendag thema van 2021 was ‘Vrouwen in leiderschap: een gelijkwaardige toekomst bereiken in een COVID-19 wereld’. Het is erg belangrijk dat erbij de ontwikkeling van wetgeving en beleid rekening gehouden wordt met de verschillen tussen vrouwen en mannen en de daarbij horende behoeftes en barrières, benadrukte DNA-lid Cheryl Dijksteel:

Het gaat er dus om dat vrouwen vooral ook de ruimte krijgen om hun invloed uit te kunnen oefenen; en dat we moeten werken om de obstakels die vrouwen belemmeren om hun rechten te beleven worden weggemaakt.” Ze stond ook stil bij het gebrek aan vrouwen in besluitvormingsposities: “Het moet meer, het moet beter, het moet indringender, om te kunnen spreken van invloed met impact. En in het proces naar meer, beter en indringender hebben vrouwen en mannen een rol te vervullen.”

Geweld tegen vrouwen
Helaas ontkwamen de sprekers er niet aan om ook aandacht te vragen voor het enorme leed dat vrouwen wordt aangedaan binnen huiselijke sfeer. Mishandeling en moord van vrouwen door mannelijke (ex-) partners komen disproportioneel vaak voor in onze samenleving, vandaar dat mannen werden opgeroepen om vrouwen met meer respect te behandelen. President Santokhi vindt dat we onze mind moeten resetten, vooral de mannen. DNA-voorzitter Bee vroeg na zijn speech om een minuut stilte in acht te nemen voor de vrouwen die slachtoffer zijn geworden van geweld door mannen. Ook benadrukte hij in dit kader de noodzaak van genderbewust beleid, genderbewuste wetten en gender responsieve budgetten.
Een doordringende voordracht van mevrouw Anunja, agent van het Korps Politie Suriname, en de aanbieding van het lied "Stop geweld tegen de vrouw” door componist Ferdinand Schet in samenwerking van het Women’s Rights Centre, werden zeer gewaardeerd door de aanwezigen.
Wet- en regelgeving
DNA-lid Ann Sadi riep op om wetgeving ter versterking van de positie van de werkende vrouw ter hand te nemen, onder meer de ontwerpwet Gelijke Arbeidsbehandeling, de ontwerpwet Seksuele Intimidatie en Geweld (om molest op de werkvloer tegen te gaan), de ontwerpwet Werktijdenregeling (om de rol van de moeder verder te regelen d.m.v. flexibele werktijden) en de ontwerpwet Arbo waarbij rekening wordt gehouden met gezondheidsrisico’s van vrouwen.

DNA-lid Reshma Mangre riep de regering op om het genderbeleid te evalueren en waar nodig bij te stellen, zodat vrouwen zichzelf zonder hindernissen kunnen profileren binnen de maatschappij. Een belangrijke rol is weggelegd voor het onderwijs. Zij benadrukte dat ook onderwijsvakbonden strijd leveren voor lotsverbetering van en gelijke rechten en kansen voor vrouwen.

Ondernemerschap
DNA-lid Tashana Lösche richtte zich in haar spreekbeurt op ondernemerschap: “Ondernemen in Suriname is een zaak van lange adem.” De balans vinden tussen ondernemen en het gezinsleven is een uitdaging waar voornamelijk vrouwen mee geconfronteerd worden, gaven zowel Vorswijk als Lösche  aan. Lösche pleitte onder andere voor ondernemerschapsbevordering via het onderwijs.

COVID-19
Soerjani Mingoen eiste meer aandacht voor de onbetaalde arbeid die vrouwen verrichten: “Thuis verrichten vrouwen het grootste deel van het werk, onbetaald en onzichtbaar. De Surinaamse vrouw is hard getroffen door deze pandemie, toch vormt zij de ruggengraat van herstel van onze samenleving en economie”

Soerjani Mingoen en Ann Sadi vestigden er de aandacht op dat ook volgens UN Women de COVID-19-crisis heeft laten zien dat de bijdrage van vrouwen een centrale rol inneemt, maar dat zij tegelijkertijd disproportioneel de last ervan dragen. Zij vestigden er de aandacht op dat vooral beroepen waarin veel vrouwen werkzaam zijn, onderbetaald zijn, terwijl het ook veelal vrouwen zijn die in de frontlinie staan van de COVID-19-crisis. Vrouwen zijn ook vaker werkzaam in sectoren die extra hard getroffen zijn door COVID-19 veiligheidsmaatregelen, zoals de gezondheidszorg, het onderwijs, de toerismesector, de detailhandel en de horeca.

Ann Sadi gaf als voorbeeld de extra taken die vrouwen hebben gekregen als gevolg van de sluiting van de scholen. Naast de onbetaalde huiselijke en verzorgende taken die over het algemeen toebedeeld zijn aan de vrouw, is het ook haar taak geworden om kinderen thuis te onderwijzen.

De diepgewortelde ongelijkheden tussen mannen en vrouwen in Suriname moeten hersteld worden met behulp van gender-responsief beleid, aldus Mingoen, zodat er een meer gelijkwaardige samenleving ontstaat die beter bestand is tegen toekomstige crises.

De gedenkwaardige openbare vergadering heeft vrouwen en hun strijd voor gelijkwaardigheid en hun mensenrechten voor het voetlicht geplaatst. Het was en is geen pad met een rode loper, maar DNA gaf aan de Surinaamse vrouwen mee dat zij achter hun strijd staan. Zoals DNA-lid Miquella Huur verwoorde:Wi e taygi unu uma: w’e  kraka yu, w’e kenapu na wi baka, a feti e go doro en we e tan feti a bun feti. Gran tangi!” 

Klik hier om de videoregistratie van de buitengewone openbare vergadering van DNA van 8 maart te bekijken.

woensdag 24 februari 2021

Politieke cultuur Suriname krijgt onvoldoende op de Democracy Index 2020

Jaarlijks publiceert The Economist Intelligence Unit (EIU) eind januari de Democracy Index, waarbij landen van de wereld worden gerangschikt naar hun democratisch gehalte. De EIU let hierbij op verkiezingsprocessen, burgerrechten, overheidsfunctioneren, politieke participatie en politieke cultuur. De rangorde gaat oplopend van 1 (grote democratische vrijheid) tot boven de 150 (zwaar onderdrukkende dictaturen). De 167 landen die in 2020 zijn beoordeeld, zijn onderverdeeld in vier typen: volledige democratie, onvolledige democratie, hybride regime en autoritair regime.


Politieke cultuur scoort een onvoldoende
De top 3 bestaat dit jaar, net als in 2019, uit Noorwegen, IJsland en Zweden. Suriname valt al jaren in de categorie ‘onvolledige democratie’. In 2019 haalde Suriname met een score van 6.98 (plaats 49) net niet de categorie ‘volledige democratie’. Dit jaar heeft Suriname een gemiddelde score van 6.82 en staat daarmee op plaats 51. Opvallend is dat we erg hoog scoren op verkiezingsprocessen (9.58), maar een stuk lager voor overheidsfunctioneren (6.07). Voor politieke cultuur krijgen we een onvoldoende, namelijk een 5. 

Suriname blijft met haar score Guyana ruim voor (plaats 75), maar valt wel onder Colombia (plaats 46), Brazilië (plaats 49) en Trinidad and Tobago (plaats 41). In de regio waar Suriname is ingedeeld, Latijns-Amerika en de Caraïben, zijn er slechts drie volledige democratieën, namelijk Uruguay (plaats 15), Chili (plaats 17) en Costa Rica (plaats 18).


De overheden in onze regio blinken over het algemeen niet uit qua functioneren; de hoge mate van corruptie blijft een moeilijk te tackelen obstakel. Het ineffectieve overheidsbestuur zorgt voor een toename van de maatschappelijke ontevredenheid en ondermijnt het vertrouwen in politieke instituties en beleving van democratie. 


Gevolgen van Covid-19
De Democracy Index 2020 heeft veel aandacht voor Covid-19, de maatregelen die landen hebben genomen en de effecten hiervan op de democratie. De EIU concludeert dat Covid-19 over het algemeen de wereld niet democratischer heeft gemaakt. Integendeel, het democratisch gehalte is in de meeste landen zelfs gedaald. Venezuela (van een score van 2.88 naar 2.76) en Haïti (van 4.57 naar 4.22) bijvoorbeeld, zijn landen die in 2020 nog slechter scoren dan vorig jaar. 

Een aantal overheden heeft de Covid-19 pandemie gebruikt om checks and balances te omzeilen. Met name de autoritaire en hybride regimes hebben de gezondheidscrisis misbruikt om hun macht te vergroten. Zo is er in Nicaragua een wet aangenomen die oppositieleden verbiedt om mee te doen aan de aankomende verkiezingen en zijn er verregaande maatregelen genomen tegen nationale NGO’s die hun bewegingsvrijheid ernstig beperken. Ook in Venezuela zijn Covid-19 maatregelen, zoals verplichte quarantaine, ingezet als dekmantel om oppositieleden en critici de mond te snoeren. 

De EIU vindt het moeilijk te beoordelen of machtsmisbruik in deze mate ook had plaatsgevonden zonder de mondiale gezondheidscrisis. Desalniettemin heeft de crisis  machtsbeluste regeringsleiders de mogelijkheden gegeven om maatschappelijke protesten, die in normale tijden groter waren geweest, de kop in te drukken. Gezien de toegenomen werkloosheid en armoede, verwacht de EIU dat de maatschappelijke onrust en protesten na het hoogtepunt van de pandemie een comeback zullen maken. 

Monitoring van de democratie in Suriname
In Suriname monitort het Burgerinitiatief voor Participatie en Goed Bestuur (BINI) de staat van onze democratie constant, onder andere binnen het thema ‘Goed bestuur en de rechtsstaat’. In het tweede BINI Monitoringsrapport (januari 2017 tot en met augustus 2019) is er binnen dit thema specifiek gekeken naar: corruptiebestrijding; functionering Rechterlijke Organisatie; moderniseren financiële overheidsadministratie; en het recht op informatie.*
Lees hier het volledige thematische rapport ‘Goed Bestuur en de Rechtsstaat’.

Lees hier het volledige BINI Monitoringsrapport. 

* Disclaimer: BINI heeft geen samenwerking met de EIU m.b.t. de samenstelling van de Democracy Index.

maandag 14 december 2020

Moord op vrouwen te voorkomen door een integrale aanpak

 “Wij moeten een breed front vormen en de krachten bundelen om femicide aan te pakken; wetgeving alleen zal het probleem niet oplossen”, stelde DNA-lid Soewarto Moestadja tijdens de online paneldiscussie “Modelwet tegen Femicide: een extra instrument in de strijd tegen gender-gerelateerd geweld”, die Projekta en Women’s Rights Centre (WRC) in het kader van Democratiemaand 2020 organiseerden op donderdag 10 november, Internationale Mensenrechten Dag. 

In haar presentatie pleitte Isaura Morsen van WRC voor het aannemen van een wet gebaseerd op de Inter-Amerikaanse Modelwet tegen Femicide, die speciaal is opgesteld voor landen die net als Suriname het Belem do Parà Verdrag (tegen Geweld tegen Vrouwen) hebben geratificeerd, maar nog onvoldoende voortgang boeken in het naleven van het verdrag.

Morsen geeft aan dat er aan beleid en wetgeving in Suriname nog veel schort. Er is nog geen formeel goedgekeurde Nationaal Beleidsplan Huiselijk Geweld, en het beleid functioneert niet optimaal: maatregelen zijn nog te verspreid, niet structureel, en er zijn zwakke systemen en instituten voor handhaving. Er zijn de laatste jaren belangrijke wetten aangenomen voor preventie van femicide, namelijk de Wet Bestrijding Huiselijk Geweld (in 2009) en de Wet Strafbaarstelling Belaging (in 2012), maar de Modelwet heeft een aantal voorzieningen die nog niet voorkomen in onze wetgeving, zoals schadeloosstelling van directe en indirecte slachtoffers,  richtlijnen voor onderzoek en vervolging, aangepaste vuurwapenregels, en het verliezen van ouderlijk gezag van plegers 

Daarnaast spreekt de Modelwet ook over ondersteunende maatregelen zoals het instellen van een juridisch databank met alle cases van huiselijk geweld en femicide, zodat strafmaten consistent(er) worden toepast.

Afbeelding afkomstig uit de presentatie van Marcha Reumel

Inspecteur van politie en ressortcommandant Marcha Reumel, gaf aan dat meer dan 50% van de moorden op vrouwen gepleegd zijn door hun partner, terwijl dat voor slechts 10% van de moorden op mannen het geval is. Meestal hebben vrouwen die vermoord zijn een geschiedenis van huiselijk geweld of belaging (‘stalking’). Hoewel er de afgelopen jaren een toenemend aantal meldingen en aangiftes binnen komen van huiselijk- en seksueel geweld en er meer dossiers zijn gestuurd van politie naar het Openbaar Ministeriezijn er echter niet meer daders veroordeeld, wat volgens Reumel aantoont dat het probleem zeer complex is voor zowel de politie als het Openbaar Ministerie. 

Vaak is het geweld of belaging voor langere tijd doorgegaan doordat vrouwen uit vrees of schaamte geen aangifte doen of hun aangifte intrekken, of dat de dader door het Openbaar Ministerie steeds in vrijheid wordt gesteld. Reumel staat, vanuit haar ervaringen in de praktijk ook achter beter beleid en wetgeving tegen femicide. 

 

Na de twee inleidingen gaven DNA-lid Soewarto Moestadja en DNA-ondervoorzitter Dew Sharman hun reacties. Moestadja toonde zich een uitgesproken voorstander van het aannemen van een Surinaamse versie van de Modelwet. De sterkste kant van de Modelwet ziet hij in het feit dat deze vrij breed en integraal van opzet is, en een goed houvast vormt voor het verder vormgeven en uitvoeren van beleid. Desondanks, stelt hij, moet er ook aandacht zijn voor de handhaving van de wet. 

Deze zorgen over wetshandhaving zijn voor DNA-ondervoorzitter Dew Sharman reden om iets sceptischer te staan tegenover het aannemen van nieuwe wetten. Hij stelt dat er meer gehaald kan worden uit het bestaand beleid: meer efficiëntie, meer awareness en meer samenwerking (binnen de overheid maar ook met het maatschappelijk middenveld) 

 

In de discussie die daarop volgde, werd ook veel aandacht gevraagd voor training, bewustwording en samenwerking. Diverse maatschappelijke organisaties die ook aan de discussie deelnamen, beschreven hoeveel zij reeds doen op dit gebied, maar wezen ook op de sleutelrol van de Staat Suriname als hoofdverantwoordelijke voor het waarborgen van mensenrechten. Moestadja en Sharman namen de uitdaging aan en gaven aan te willen bijdragen aan bredere gesprekken tussen DNA, overheid en het maatschappelijk middenveld over hoe om te gaan met deze gedeelde verantwoordelijkheid. Zij namen gelijk de eerste stap door de inleiders gelijk uit te nodigen om een presentatie over dit onderwerp te houden voor de DNA-Commissie Mensenrechten. Projekta en andere maatschappelijke organisaties zullen die gelegenheid benutten om nogmaals aandacht de vragen voor de in september 2020 opgestelde Prioriteiten Tegen Geweld.  


Met deze discussie sloot Projekta de Democratiemaand 2020 af.