Posts tonen met het label Young Democracy Unit. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Young Democracy Unit. Alle posts tonen

donderdag 19 november 2015

ICT: een wondermiddel voor democratie en transparantie?

Jongeren en ICT in participatieve, democratische processen – deel 2

In het vorige bericht is verslag gedaan over het eerste gedeelte van de paneldiscussie ‘Jongeren en ICT in participatieve, democratische processen’, die in het kader van de achtste Democratiemaand is georganiseerd door Projeka in samenwerking met de Global shapers Paramaribo. Global Shapers Paramaribo is een jongerenorganisatie die onderdeel is van een wereldwijd netwerk: de Global Shapers Community. Het is een initiatief van de World Economic Forum (WEF) met als doel om jongeren te helpen om zichzelf beter te organiseren, zodat ze een betere impact kunnen hebben in de samenleving. Jongeren waren voor het WEF de missing link in (hun) besluitvormingsprocessen. Dit is waarom zij op deze manier jongeren stimuleren en de mogelijkheid bieden om hierin te participeren.


ICT-onderwijs verplichten
De tweede stelling was ‘ICT-onderwijs moet verplicht worden op scholen en voor overheidsdienaren, zodat participatie in democratische processen wordt gestimuleerd’.

Agatha Castillo (Global Shapers Paramaribo) regeerde als eerste panellid op deze stelling. Zij gaf aan dat ICT-onderwijs belangrijk is, maar zij was er niet zo zeker van dat ICT-onderwijs perse de participatie in democratische processen zal stimuleren. “Mensen moeten juist bijgebracht worden dat zijn moeten participeren, ze moeten weten wat democratie is en wat dat inhoud, wat hun rechten en plichten zijn. En als ze dat weten, kunnen zij ICT gebruiken om hier inhoud aan te geven”. Derrick Boldewijn (JCI) was het eens met Agatha en voegde eraan toe hoe kwalijk het is dat er in het huidig onderwijs geen aandacht besteed wordt aan participatie en democratische processen.

Eugenio Bruce (Caricom Youth Ambassadors Programme) en Clayton Hiwat (Young Democracy Unit) richtten zich meer op de positieve aspecten van toegang hebben en gebruik maken van ICT in het onderwijs en in de overheidssector. Agatha kwam in met de vraag “Hoe helpt het het democratisch proces, dat je het kind een computer geeft, maar het kind niet zijn mening mag geven in de klas? Zo help je de democratie niet.” Op de vraag van de moderator, Ananta Khemradj, of het voorgenomen Onderwijsplatform hier een bijdrage in zou kunnen brengen, omdat middels dit platform ouders via het internet inzage kunnen krijgen in de prestaties van hun kinderen en makkelijke in contact kunnen zijn met de leerkracht, waren de mannen erover eens dat dit positief zou bijdragen aan het democratiseringsproces, omdat de transparantie en de bereikbaarheid vergroot zou worden. Agatha stelde echter dat totdat de leermethoden gemoderniseerd worden, dit initiatief niet zou bijdragen aan het democratiseringsproces. “Ouders kunnen middels het platform op de hoogte zijn van prestaties, maar niet zien hoe er les wordt gegeven. Zolang de leerkracht de baas is in de klas, zal dat niet bijdragen aan de democratiseringsprocessen. Om dit te bereiken moet de pedagogische bagage van de leerkrachten bijgeschaafd en gemoderniseerd worden”, hield ze vol.

Vanuit het publiek werd benadrukt dat er verschillende invullingen kunnen zijn van ICT-onderwijs. Allereerst zou er op scholen moeten worden onderwezen in ‘mediawijsheid’. Bij mediawijsheid gaat het met name om het aanleren van vaardigheden en een kritische blik naar de manier en (met name) de inhoud van berichtgeving op social media, maar zeker op via de “traditionele” media. Daarnaast bestaat er de technische kant van ICT-onderwijs: het aanleren van vaardigheden om moderne communicatie technologie te kunnen gebruiken. Een derde manier waarop ICT onderwijs potentieel verrijkt, is dat het voor kinderen het leren leuker kan maken. Echter, alleen onderwijs in mediawijsheid zal bijdragen aan vergrote democratisering en participatie.

Een van de aanwezigen gaf aan dat jongeren voor het leren participeren in een democratisch systeem zich niet tot ICT moeten richten, maar binnen organisaties zoals Global Shapers Paramaribo en JCI moeten participeren. Want, zo zei hij: “Daar heb ik geleerd om te participeren en mijn mening te geven”.

ICT maakt wetgeving overbodig
De derde stelling was: ‘Moderne communicatie technologieën verminderen de noodzaak van het creëren van transparantie via wetgeving en daarmee de mogelijkheid om machthebbers verantwoordelijk te houden’.

Volgens Clayton zal gebruik van moderne communicatie technologieën de noodzaak van wetgeving op transparantie niet verminderen. De Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB) is nodig, daar veranderen de aanwezigheid van  moderne communicatie technologieën niets aan. Transparantie moet bij wet verplicht zijn. Ook Derrick deelde deze mening. “ Je kan iemand niet ter verantwoording roepen via moderne technologie. Je kan iets ter sprake brengen, aar je kan de persoon niet dwingen tot aftreden”. En toch, kwam de moderator in, voelt men zich sneller onder druk gezet als je naam wordt genoemd via social media in een kleine gemeenschap als Suriname. Derrick vond dat dat afhangt van hoe principieel de persoon over wie het gaat is. “In Suriname lijkt een slecht imago op social media niet tot aftreden”.
De enige manier om wetten zoals de WOB en de Anti-corruptiewet te krijgen, is als burgers zaken eisen en andere zaken afstraffen, zegt Derrick. “Wie het kruis heeft zegent immers zichzelf. Nergens is het gebeurd dat de leiders zichzelf aan banden hebben gelegd. Burgers moeten afstappen van het idee dat politici halve goden zijn en dus bang zijn om iets te zeggen”. Agatha staat hier volledig achter. “ Er moet via wetgeving gereist worden dat dingen gebeuren. Moderne communicatie zal daar niet toe leiden”. Volgens Eugenio kan moderne media wel de noodzaak versterken, doordat er druk wordt gezet op beleidsmakers.

Concluderend kan worden gesteld dat ICT een middel kan zijn om zaken controleerbaar te maken en transparantie te vergroten, maar er is wetgeving nodig die dat verplicht stelt en regelt. Vanuit de zaal werd aangegeven dat: “Transparantie nooit te veel kan zijn. Moderne communicatie technologie zorgt voor druk, maar de beleidsmakers hebben nog steeds de vrijheid om het te doen zoals ze willen”.

Jongerenorganisaties als wipplank voor politieke carriere
Tijdens de discussie werd er meerdere malen afgeweken van de stellingen. Zo werden de aanwezige panelleden ook uitgedaagd kritisch naar hun eigen organisaties te kijken, want het democratisch functioneren en de slagvaardigheid van jongerenorganisaties in Suriname is twijfelachtig.

Clayton haalde aan dat er in het verleden een studentenvakbond bestond en dat het voornemen er is om deze weer leven in te blazen. De vraag die hierop volgde was haast vanzelfsprekend. Waarom bestaat de (oude) studentenvakbond niet meer? Het antwoord: “Het is opgehouden te bestaan, omdat jongeren de organisatie hebben gebruikt als wipplank voor hun verdere politieke carrière. Je ziet dat ook bij het Jeugdparlement”. Het zaad was geplant voor de discussie.

Volgens Clayton is het ambiëren van een politieke carrière niet het probleem. Het probleem ligt het erin dat “je een organisatie opricht met een doel en halverwege je doel stap je over en dat is funest voor de organisatie. Voor Eugenio (als Caricom Jeugdambassadeur onderdeel van het Nationaal Jeugdinstituut) is hier niets mee aan de hand. “We zijn jonge leiders, goede leiders. Als je die capaciteiten bezit moet je doorgaan. In de politiek gaan is de logische volgende stap. Als je halverwege stopt, moet je ervoor zorgen dat je je legacy achter laat. Het werk moet door anderen opgepakt kunnen worden.” Men kan en mag potentie zien in een jongere en hem/haar rekruteren voor de politiek. Derrick, President van JCI, was ook van mening dat er in principe niets mis is ermee dat jongeren in de politiek stappen. Wat echter gebeurt is “dat wanneer wij in de jongerenorganisaties zitten we aangeven dat wij het anders willen doen, maar wanneer we overstappen [naar de “echte” politiek] komt de innovatie niet. We vervallen in het oude”.

Deze wetenschap bracht ons bij de vraag: “Hoe kunnen wij voorkomen dat jongere organisaties kweekvijvers worden van politieke organisaties. Zodat je geen pop wordt van een zestigjarige voorzitter”. Volgens Clayton hangt het van de aard van het individu af. Agatha erkende dat het een uitdaging is om jeugdige leiders in hun volwassen leiderschap ferm te laten blijven staan in hun standpunt van werken voor het maatschappelijk belang. “We moeten onze systemen waterdicht maken, zodat vervallen haast onmogelijk is”.  Derrick voegde eraan toe dat verkeerde stappen van jongeren af gestraft moeten worden, zodat duidelijk wordt dat bepaald gedrag niet geaccepteerd wordt.

Vanuit Projekta werd opgemerkt hoezeer leiderschap wordt afgebakend tot louter het politieke en er geen ruimte over blijft voor leiderschap in de maatschappij. Verandering breng je niet alleen via de politiek, maar ook middels het creëren van counterbalans. Vanuit de zaal werd dit punt ondersteunt. Er zijn genoeg jongeren die talent hebben om op een andere manier hun bijdragen te leveren,aar Surinamers geloven dat de politiek alles bepaalt. Volgens Derrick zouden er meer initiatieven als deze moeten zijn om mensen maar zeker jongeren hiervan bewust te maken. “Je kan hen leren dat politiek niet de enige weg is”. In dit proces van democratisering hebben wij allen een belangrijke rol te vervullen. 

dinsdag 17 november 2015

Zorgen social media voor een verarming van het politiek debat?

Jongeren en ICT in participatieve, democratische processen – deel 1

“Wat versta jij onder democratie?” was de vraag waarmee de derde van de vijf openbare activiteiten van de Democratiemaand 2015 begon. “Meer dan alleen stemmen”, “transparantie van processen”, “participatie van burgers in beleid”, “beleidsmakers ter verantwoording kunnen roepen”, “beleving van mensenrechten”, “gelijkheid”, zijn allemaal genoemd in dit kader. De diversiteit aan antwoorden benadrukt het bestaan van verschillende interpretaties van het begrip ‘democratie’.

Na de quorumkwestie in DNA als kick-off van de Democratiemaand-activiteiten en de daarop volgende paneldiscussie over het incorporeren van de Sustainable Development Goals (SDG’s) in het nationaal beleid, waren vrijdagavond jongeren en ICT aan de beurt. Vier panelleden afkomstig van vier jongerenorganisaties discussieerden aan de hand van drie stellingen met elkaar en de overige aanwezigen. Doortastende vragen van de moderator Ananta Khemradj, en discussiepunten en vragen geponeerd door het publiek, dat voor het grootste deel uit jongeren bestond, kenmerkten de avond.

Divers panel
Agatha Castillio (29 jaar) is camerajournalist bij The Back Lot/ 10 minuten Jeugdjournaal. Daarvoor was zij journalist bij DWT. Zij participeerde aan dit panel in de hoedanigheid van lid van de Global Shapers Paramaribo. Voor Agatha betekent democratie participatie van burgers en je mening kunnen uiten.

Derrick Boldewijn (31 jaar) is de president van JCI Paramaribo en mede-oprichter van de Young Democracy Unit. Hij is verder ondernemer, zijn bedrijf geeft onder andere advies over het gebruik van social media. Een belangrijk kenmerk van een democratie is volgens Derrick een proces dat burgers in staat stelt zich ten volle te kunnen ontplooien.

Eugenio Bruce (23 jaar) is een van de twee nieuw gekozen Caricom Jeugd Ambassadeurs van Suriname, verbonden aan het Nationaal Jongeren Instituut. Hij is derdejaars ICT-student aan het Polytechnisch College (PTC). Voor Eugenio houdt democratie niet alleen in dat de burgers hun stem moeten kunnen laten horen. Wat voor hem het democratisch gehalte bepaalt, is wat er met die stem van de burgers wordt gedaan.

Clayton Hiwat (33 jaar) is vierdejaarsstudent Journalistiek. Hij is de secretaris van de Young Democracy Unit. Ook heeft hij zijn hoger kader vakbondsopleiding afgerond. Voor Clayton is democratie “een proces waarin burgers in staat zijn hun mening te geven over zaken waarmee zij zitten”. Deze zaken moeten meegenomen worden in het beleid.

Mening uiten
De eerste stelling van de avond was: social media, als onderdeel van ICT, zorgen voor de verarming van het politiek debat. Alvorens in te gaan op de stelling gaf Derrick aan dat politiek debat voor hem inhield “de discussies over politieke processen en de standpunten van politici of politieke partijen”. Volgens Derrick zou je op basis van de reikwijdte (hoeveel mensen je bereikt met social media) en de frequentie (hoe veel en hoe vaak debatten gevoerd worden op social media) kunnen stellen dat social media een verrijking is van het politiek debat. Toch vindt hij dat “juist omdat een ieder zijn mening zonder consequenties kan ventileren op social media, de inhoud van het politiek debat verarmt”.

Agatha deelde deze mening niet. Zij vond dat social media absoluut een verrijking is. “ICT maakt veel deuren open. Het maakt het makkelijker, goedkoper en bereikbaarder”. Zij valt niet over de kritiek dat mensen ongegronde beschuldigingen kunnen poneren via social media zonder consequenties. “Het voordeel van ICT is dat iedereen zijn mening mag uiten, als het waar is of niet. Politici kunnen dat dan ook [via social media] rechttrekken.” Volgens Agatha moeten we leren dat een mening geven normaal en OK is. In haar dagelijks leven merkt ze dat mensen bang zijn dat te doen.

Op de vraag of de discussie op social media wel invloed heeft op politici, zegt Eugenio, “ja”. Hij geeft aan dat discussies via social media meerdere malen discussies in DNA hebben doen opstarten. Over de stelling dat social media een verarming van het politiek debat zouden kunnen zijn zei Eugenio het volgende “Social media verarmt niet, het is een brug tussen burgers en de mensen die het beleid maken”.

Ook Clayton vond dat er geen sprake was van een verarming maar juist een verrijking.. “Ook voor politici is het handig. Als zij door de drukte zaken missen, kunnen ze deze alsnog via social media volgen”.

Niveau gebruikers bepaalt het debat
Voor Derrick bleef het feit dat mensen gewoon dingen kunnen zeggen op social media, toch een probleem vormt voor de inhoud van het debat. “Het niveau van het debat hangt af van het niveau van de mensen die debatteren”, zegt hij. “Burgers mogen hun mening geven”, vindt Agatha. “Democratie is erachter komen wat mensen denken”. De inhoud van de discussie heb je nooit in de hand. Derrick sprak zijn twijfel uit over haar bewering dat politici zaken via social media kunnen rechtzetten. “De ervaring is dat politici niet altijd eerlijk zijn. Als je op een politicus wacht om duidelijkheid te brengen, dan zijn we nog verder van huis”. Agatha erkent dat transparantie en eerlijkheid van politici naar burgers toe over het ter discussie staande onderwerp belangrijk is, maar zegt ze: “burgers moeten dat eisen”.

De boosdoener in deze is volgens Derrick niet ICT, maar de mensen zelf. “Ze moeten zich gaan verdiepen in de materie, social media is een middel, niet het doel van het debat”. Volgens Eugenio en Clayton kan je het niveau van de burgers niet bepalen. Desondanks deelde Eugenio Derrick’s bezorgdheid over de invloed welke het niveau van de participanten in het debat op social media kan hebben op de inhoud van het debat, enigszins. Clayton daarentegen vroeg zich af wat niveau is. “Je mening mag je ventileren, hoe krom of scheef de mening is.. Anders creëer je een barrière voor de man van de straat”.

A-sociale media
Uit de zaal kwamen ook vragen met betrekking tot de keuze voor het ene medium boven het andere. In Suriname schijnt Facebook toch meer gebruikt te worden dan bijvoorbeeld Twitter. Volgens Agatha is een van de redenen hiervoor dat het aantal tekens die je mag gebruiken op Twitter beperkt is. Zou dat komen omdat wij, Surinamers, meer woorden nodig hebben om onze mening te ventileren, vroeg de moderator zich hardop af. Deze retorische vraag zorgde voor gegniffel onder het publiek. Uiteraard is de herkenbaarheid lachwekkend, echter neemt dit niet weg dat het ontbreken van de vaardigheid om kort en duidelijk je mening te geven een gemis is binnen het politiek debat in het algemeen.

Vanuit de zaal kwam de vraag of sociale media de emotionele betrokkenheid van burgers vermindert, want vaak leidt de discussie toch niet tot actie. Clayton was niet van mening dat dat het geval is, want de discussie wordt ook na het verlaten van social media face-to-face verder gevoerd. Later op de avond kwam dit vraagstuk wederom aan de orde toen iemand vroeg: “Denken jullie dat social media mensen juist actiever of passiever maakt in hun participatie? Waar ze vroeger op straat zouden gaan om te protesteren houden ze het nu bij een post op Facebook”.
Clayton vond dat de actieve participatie in de zin van protesteren afhangt van de tijdsgeest, hoe hard de schoen knelt en of iemand het initiatief neemt om een beweging op touw te zetten en men mensen oproept om te protesteren. In deze gevallen zouden mensen wel overgaan tot actie. Volgens Derrick heeft social media niet zoveel invloed: “Doorgaans zijn Surinamers naar mijn gevoel altijd passief geweest. We kijken naar wie gaat eerst. Het ligt dus niet aan social media. We zijn van nature geen assertief volk. Social media heeft ons misschien ook nog a-sociaal gemaakt”.


Houdt onze blog in de gaten voor het verslag van de twee volgende stellingen.