Posts tonen met het label transparantie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label transparantie. Alle posts tonen

dinsdag 7 maart 2023

Reactie BINI op uitnodiging vooroverleg Nationale Dialoog


We waren uitgenodigd voor "het overleg met betrekking tot de nationale ontwikkeling en voorstellen ter samenstelling van de agenda voor de Nationaal Dialoog op reguliere basis, met als uiteindelijke doel om te komen tot een agenda voor nationale aanpak". 

Dit was ons antwoord: 


Aan: De President van de Republiek Suriname Z.E. Chandrikapersad Santokhi
Betreft: Uitnodiging overleg i.h.k.v. Nationale dialoog
Bijlagen (4)

Paramaribo, 2 maart 2022

Excellentie,

Wij danken u voor de uitnodiging voor een gesprek op 2 maart 2023 van 13.45 tot 14.15 uur, welke wij op 1 maart 2023 omstreeks 14.00 uur ontvingen, en vragen uw aandacht voor het volgende.

Hoewel de uitnodiging is gericht aan Stichting Projekta, deelden we de uitnodiging met onze partners binnen BINI (het Burgerinitiatief voor Participatie en Goed Bestuur), zoals wij dat ook bij voorgaande gelegenheden deden, omdat wij de principes van partnerschap, transparantie en communicatie toepassen in woord en handelen. BINI is een platform van maatschappelijke organisaties en individuele burgers die de principes van een mensenrechtenbenadering van ontwikkeling centraal wil zien; meer transparantie en rekenschap van de Staat wil, en inclusiviteit en participatie in besluitvorming voorstaat. Dit schrijven is daarom van BINI, via Stichting Projekta.

Wij zullen op dit moment niet ingaan op uw uitnodiging om diverse redenen, maar hoofdzakelijk omdat voor wat betreft het onderwerp van gesprek, wij u niets te vertellen hebben dat we niet al bij eerdere gelegenheden aan u en de uwen hebben gepresenteerd voor en na het aantreden van uw regering. 

Wij brengen u in herinnering ons kennismakingsgesprek na de verkiezingen (op 10 juni 2020), waarbij wij aan de beoogde coalitieleiders voorhielden dat wat wij van een nieuwe regering verwachtten was  participatie, betrokkenheid, inspraak die niet afhankelijk is van de beleidsmakers/ministers, maar  structureel is vastgelegd; die zich niet  beperkt tot incidentele ‘consultaties’ maar een echt partnerschap is; en niet alleen bij de uitvoering van plannen, maar ook bij beleidsontwikkeling-, -en monitoring.

Wij gaven toen al aan wat wij zagen als cruciale principes waar elke regering zich aan zou moeten houden en de prioriteiten voor het regeerbeleid, zoals goed en behoorlijk bestuur, capaciteitsversterking vanwege uitholling van instituten (o.a. door het terzijde schuiven van bestaande capaciteit), goede communicatie (waaronder ook participatie en inspraak zoals hierboven genoemd), decentralisatie van besluitvorming (ook in het kader van lokaal bestuur) en dat het regeringsbeleid de beleving van mensenrechten als leidraad heeft. Ter herinnering hechten wij ons intern verslag van dat gesprek aan. 

Al deze zaken zijn herhaald o.a. bij de hearings van juli 2022. Ook toen benadrukten wij het belang van georganiseerde inspraak en overleg, met structuren voor effectieve participatie en dialoog, en niet slechts hearings op afroep. Wij deden u toen ook, op verzoek van de gespreksleider, enkele documenten toekomen die wij in een eerdere stadium hadden opgesteld, o.a.  een basisvoorstel voor het opzetten van een structureel overleg met non-state actors. Ook dat hechten wij wederom aan.

Evenzo ter herinnering hechten wij onze commentaren op het Crisis- en Herstelplan aan, waarin wij naast commentaren op de inhoud,  adviezen meegaven over de communicatiestrategie. 
Daarover schreven wij o.a. “een goede communicatiestrategie is niet slechts de bevolking vertellen (m.a.w. simpele voorlichting), welke maatregelen worden genomen en waarom, maar zal ook moeten omvatten:
  • Een effectieve informatiestroom en het uitwisselen van ideeën tussen  regering/overheid en haar interne en externe doelgroepen,
  • Bijdragen aan geïnformeerde en verantwoorde besluitvorming,
  • Bevorderen van rekenschap en van transparantie  en daardoor het vergroten en consolideren van vertrouwen in de overheid, 
  • Het faciliteren van betekenisvolle participatie, middels waarachtige dialoog – waarbij aangetekend wordt dat ontwerpen en faciliteren van dialoogprocessen een aparte competentie is.”

Dialoogprocessen moeten vanaf het begin goed doordacht worden (zie ons commentaar hierboven op het Crisis-en Herstelplan). Het ontwerpen en faciliteren daarvan zijn technische competenties. Even cruciaal is de keuze van degene die uitnodigt tot gesprek. In de terminologie van dialoogprocessen wordt zo iemand een ‘convener’ genoemd. Een convener moet boven partijen staan en niet zelf partij zijn in een (sluimerend) conflict of een persoonlijk of politiek belang hebben in de uitkomsten, moet geen geschiedenis van botsende belangen hebben met de mensen die om de tafel (komen) zitten, en moet door alle partijen geaccepteerd worden.

Het hoeft geen betoog dat voor BINI dialoog de belangrijkste manier is om uit de impasse te geraken waar wij ons nu in bevinden. Om die reden mogen u en de uwen erop rekenen dat BINI elk initiatief om tot een echte dialoog te komen zeker zal ondersteunen. Dat uw regering ook tot dat inzicht lijkt te zijn gekomen stemt goed, en dat u daar overleg over zegt te wensen, is een eerste stap. 

Overleg moet echter zinvol zijn. Helaas overtuigden uw uitnodiging, noch de rapportages over de tot nu toe gevoerde gesprekken via de overheidscommunicatiekanalen, ons van de zinvolheid om in deze fase en op deze wijze aan de gesprekken deel te nemen.

Bij elke in deze brief aangehaalde gelegenheid, hebben wij aangeboden om een bijdrage te leveren aan het nadenken over, en vormgeven van dialoog- en participatieprocessen, vanuit onze expertise. Dat aanbod blijft onverkort van kracht. 

Met vriendelijke groet,

Namens BINI

Sharda Ganga 
Directeur Projekta

Nieuwsberichten over onze reactie op de uitnodiging zijn ook verschenen op Starnieuws en dwtonline

zaterdag 23 mei 2020

Stem wijzer: BINI Stemwijzer 2020 verkiezingen


Op maandag gaan wij naar de stembus. Wij bepalen dan samen wie we het voorrecht geven om namens ons te regeren en wie ons mag vertegenwoordigen. We bepalen de toekomst van ons land, van onszelf en van de generaties na ons. Dat besluit mag niet lichtvaardig genomen worden. Niet op basis van social media posts, massameetings, vage beloftes, leuke liedjes of mooie slogans. Naar de stembus horen burgers te gaan gewapend met feiten. Goed geïnformeerd over wat de partijen precies voor ogen hebben voor onze toekomst. Alleen dan kunnen we bewust stemmen.

Het Burgerinitiatief voor Participatie & Goed Bestuur (BINI) lanceert vandaag haar 2020 Stemwijzer, een analyse van verkiezingsprogramma’s van 13 van de 17 partijen die aan de verkiezingen meedoen. De Stemwijzer is bedoeld als hulpmiddel voor kiezers (zwevend of niet) om geïnformeerd te kunnen stemmen. 

In de Stemwijzer kunnen kiezers namelijk lezen welke doelen en voornemens politieke partijen stellen over o.a. duurzame ontwikkeling, mensenrechten, goed bestuur, functioneren van de overheid, financieel-economische ontwikkeling en planmatigheid. Deze thema’s zijn bepaald door de maatschappelijke organisaties en burgers die deel uitmaken van BINI. Vlak voor de verkiezingen van 2015 publiceerde BINI al een analyse van de beschikbare verkiezingsprogramma’s. Nu, voor de verkiezingen van 25 mei 2020, heeft BINI opnieuw een analyse gemaakt

Grondige analyses maken van verkiezingsprogramma’s in Suriname is nog steeds problematisch. Er wordt namelijk vrijwel geen aandacht besteed aan de financiële kant van beloftes en dus is er niets te zeggen over haalbaarheid. Bovendien komen partijen nog altijd veel te laat uit met hun programma’s. 

Download het document met de analyses hier

dinsdag 19 mei 2020

Tweede Beleidsmonitoringsrapport van BINI

Het Burgerinitiatief voor Participatie en Goed Bestuur (BINI) heeft haar tweede beleidsmonitoringsrapport gepubliceerd. Net als in het eerste rapport wordt ook nu in kaart gebracht wat er aan acties is ondernomen op verschillende beleidsterreinen. Het rapport zou oorspronkelijk in maart worden gepubliceerd, maar liep door de COVID-situatie vertraging op.

Het eerste rapport deed verslag over de periode augustus 2015 tot en met december 2016. Het tweede rapport bestrijkt de periode januari 2017 tot en met augustus 2019, maar neemt ook de meest relevante ontwikkelingen en acties mee die na die periode hebben plaatsgevonden. 

Voor BINI is één van de grootste obstakels voor de ontwikkeling van Suriname het ontbreken van goed bestuur. Rekenschap en het afleggen van verantwoording, is daar een belangrijk onderdeel, maar helaas is er van systematische monitoring van beleid geen sprake, waardoor de effectiviteit en de efficiëntie hiervan dus niet wordt gemeten.
Beleidsmonitoring zou primair de taak moeten zijn van de instituten die verantwoordelijk zijn voor het maken en uitvoeren van beleid, en van degenen die het horen te controleren: overheid en DNA. Vanwege het ontbreken van die monitoring, zijn de monitoringsrapporten van BINI de enige poging om systematisch in kaart te brengen wat er in Suriname aan acties is ondernomen door de diverse actoren – overheid en niet-overheid.

Het rapport bekijkt niet het hele regeringsbeleid, maar richt zich op de thema’s waar BINI zich over buigt, namelijk: 
goed bestuur en rechtsstaat
milieu
onderwijs
financieel-economische en monetaire ontwikkeling
kinderrechten
gender
rechten van Inheemsen en Tribale Volken
decent work (fatsoenlijk werk)
rechten van LGBT
gezondheidszorg
sport
Binnen elk van deze thema’s is er een aantal vragen/beleidsgebieden geselecteerd. Daardoor geeft het monitoringrapport slechts een beperkt beeld van wat het totaal overheidshandelen is (geweest) en wat niet-overheidsactoren hebben gedaan. Informatie is verzameld middels literatuur- en media-onderzoek en interviews, en is voor zover mogelijk geverifieerd bij de diverse stakeholders. 

Zwakke planning, onsamenhangend beleid
Over het algemeen lijkt er op de gekozen beleidsterreinen wel veel gedaan te zijn, maar het is vaak onduidelijk waar dat toe leidde. Ook bij dit tweede rapport zien we veelal losse projectjes en kleine los van elkaar staande acties, zonder dat er duidelijke prioriteiten zijn gesteld, of een logische opbouw van acties is te onderscheiden. Er is nauwelijks sprake van een strategische benadering van beleid. Daarbij zien wij binnen bepaalde beleidsgebieden veel nadruk op één type van actie of strategie, bijvoorbeeld wetgeving bij arbeid (Decent Work) of bewustwording bij gender. Bij een strategische benadering zou er een goede verhouding tussen de verschillende type van acties zijn. Heel opvallend is hoe weinig onderzoek en evaluatie er wordt gedaan (en/of gepubliceerd) – alleen binnen de milieu-sector wordt daar nog flink in geïnvesteerd. 

Veel kleine, losse acties binnen een beleidsgebied kunnen een vertekend beeld opleveren van de ware aard, grootte en het belang van de interventies. De werkelijke impact van het gevoerde beleid op de kwaliteit van leven van burgers blijft daardoor onzichtbaar.

Geen monitoring en evaluatie, geen rekenschap
Een enorm obstakel voor het objectief kunnen monitoren van beleidsuitvoering is het gebrek aan systematische rapportage van acties. Door het uitblijven van activiteiten-, project- en programmarapportages, en doordat het niet mogelijk is om bestedingen direct toe te schrijven aan acties, kan er ook geen evaluatie plaatsvinden over de efficiëntie en effectiviteit van bestedingen, of over de investeringen in bijvoorbeeld specifieke doelgroepen.

Het monitoren van beleid hoort niet alleen een verslag op te leveren over wat er is gedaan, maar zou ook een beeld moeten geven van hoe acties zijn uitgevoerd en wat ze hebben gekost. Bij evaluatie hoort ook de vraag naar de rechtmatigheid en de doelmatigheid van inzet van middelen en capaciteit – vragen die ook nu niet beantwoord kunnen worden. Regeringen die geen boekhouding bijhouden en publiceren maken zichzelf niet alleen kwetsbaar voor verdachtmakingen over corruptie en onrechtmatig handelen, maar zijn hoe dan ook op zijn minst medeplichtig aan het creëren van de omstandigheden waarin corruptie welig kan tieren. In het ergste geval is de weigering om enige vorm van rekenschap af te leggen (en dus minstens het openbaren van de boekhouding) een teken van het moedwillig faciliteren van corruptie.

Kwaliteit van bestuur en beleid
We moeten ook de werkelijke effecten kunnen meten van beleidsacties. Om uitspraken te kunnen doen over de kwaliteit van het bestuur en beleid zouden wij de baten naast de kosten moeten kunnen leggen. Slechts aangeven dat er bijvoorbeeld 20 personen zijn getraind om kwetsbare kinderen te begeleiden, geeft geen beeld van wat het effect is op het leven en welzijn van de doelgroep. Hoe zijn de getrainden ingezet, hoeveel kinderen hebben ze bereikt, wat is anders gegaan in de begeleiding? Dat vraagt om het monitoren op outcome en impact en niet slechts op output. Dus niet alleen het aantal bruggen moeten worden geteld, maar het verschil dat die bruggen maken in het leven van mensen. 

Bij een goed functionerende planning, en bijbehorend monitoringsysteem, zouden deze resultaten voorhanden zijn. Er is de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in de hervorming van het nationaal planapparaat. De resultaten daarvan hebben we helaas nog niet kunnen merken. Aan de vooravond van verkiezingen en dus met een nieuwe regeerperiode in het vooruitzicht is er een nieuwe kans voor regeerders om zich te committeren aan de principes van goed bestuur, door een cultuur van transparantie en rekenschap te omarmen.

Het tweede Beleidsmonitoringsrapport is hier te downloaden.

dinsdag 20 juni 2017

Zakelijk het regeringsbeleid volgen: eerste monitoringrapport BINI-Burgerinitiatief

Eén van de belangrijkste sociaal maatschappelijke initiatieven die we in ons land kunnen hebben, noemde DNA-Voorzitter Jennifer Simons het eerste Beleidsmonitoringrapport van BINI, het Burgerinitiatief voor Participatie en Goed Bestuur. Elke regering en elke oppositie zal rekening moeten houden met deze duidelijke en zakelijke manier van het beleid volgen, gaf ze aan.
Op donderdag 15 juni presenteerde BINI het conceptrapport aan genodigden van Ministeries, internationale organisaties, DNA-leden, ambassades, en andere stakeholders. Op vrijdag was de presentatie open voor publiek. Het Monitoringrapport wordt eind deze maand afgerond. Een ieder wordt uitgenodigd om informatie betreffende de opgenomen beleidsprioriteiten en regeringsvoornemens aan te dragen.

Vlak voor de verkiezingen van mei 2015 presenteerde BINI haar beleidsprioriteiten in het document “Voor Onze Toekomst”. De afgelopen periode is BINI de uitvoering nagegaan van diverse beleidsvoornemens die samenhangen met de prioriteiten gesteld in dat document. Regeringsvoornemens uit het Ontwikkelingsplan 2012-2016, de Regeringsverklaring, de begrotingen van Ministeries, en de Jaarredes van 2015 en 2016, of bekendgemaakt via de media zijn geïnventariseerd en vervolgens is bekeken wat daarvan is uitgevoerd.

De rapportage, gegroepeerd rond de thema’s waar BINI zich over buigt, beslaat globaal de periode vanaf het aantreden van deze Regering (juni 2015) tot december 2016. De thema’s die zijn gevolgd zijn Kinderrechten, Vrouwenrechten en Gendergelijkheid, Rechten van Inheemse en Tribale Volken, Milieu, Gezondheidszorg, Onderwijs, Goed Bestuur, Sport en Jongeren, en Decent Work. Het rapport geeft uiteraard geen totaalbeeld van de uitvoering van alle Regeringsprogramma’s, maar wil een eerste aanzet zijn tot een traditie van transparantie en rekenschap. 
Het onderzoek bracht veel informatie aan het licht. Zo bleek dat de Regering in totaal 36 voornemens heeft aangegeven voor versterken van Goed Bestuur, Rechtsstaat en Mensenrechten, die direct verbonden zijn aan de prioriteiten van BINI. Hoewel er een aantal zaken zijn uitgevoerd, blijven belangrijke zaken zoals de wet Openbaarheid van Bestuur, nog altijd steken in beloftes. Ook milieuwetgeving komt nauwelijks van de grond, een lot dat ook onderwijswetten treft.

Van het voornemen om meer dialoog te voeren met maatschappelijke organisaties is ook weinig te merken. Een van de belangrijkste taken van een overheid is te zorgen voor een rechtvaardige verdeling van welvaart – op dat vlak zijn er een aantal maatregelen genomen die de directe gevolgen van de financieel-economische crisis op de meest kwetsbaren zouden moeten verlichten. De keuze van maatregelen en de wijze van uitvoering zijn echter uitermate inefficiënt en corruptiegevoelig. 

De monitoring bracht veel beweging aan het licht, maar het zijn veelal losse, adhoc acties zonder dat er een groter idee of plan achter schuilt. Met andere woorden: er wordt wel gewerkt, maar van echt beleid is nauwelijks sprake.  
Een doorlopend thema blijft de zwakte van de Overheid. Ondanks alle investeringen in capaciteitsversterking blijft die niet in staat om haar taken naar behoren uit te voeren. De zwakte van de Overheid is een politieke keuze, volgens Projekta-directeur Sharda Ganga. Opeenvolgende regeringen hebben namelijk de efficiëntie en effectiviteit van de Overheid om haar taken uit te voeren, uitgehold door vriendjespolitiek en nepotisme. Door bij elke Regeringswisseling mensen van boven tot ver onder aan de hiërarchie te vervangen door partijgenoten en/of vrienden is het institutioneel geheugen kapot gemaakt. Kennis en kunde zijn allang geen vereiste meer voor een functie. Capaciteitsversterking binnen dit systeem is dan ook dweilen met de kraan open.

Een van de zwaktes van het Overheidsapparaat is de gebrekkige afstemming tussen diensten en afdelingen binnen ministeries en tussen ministeries. Hierdoor is het onmogelijk om adequaat te reageren op complexe vraagstukken, zoals armoede. Complexe problemen vragen om geïntegreerde oplossingen.

BINI wil uiteindelijk in staat zijn om de impact van, en investeringen in beleidsmaatregelen te kunnen traceren en monitoren. Dat is momenteel onmogelijk. De wijze waarop ‘s landsbegrotingen worden gemaakt is onoverzichtelijk en vaak nauwelijks te koppelen aan de uitvoering van beleid. Daarnaast is een groot obstakel het niet beschikbaar zijn van gegevens, of terughoudendheid van afdelingen en directoraten om informatie te verstrekken dat niet loopt via de Minister.
Er is geen traditie van monitoring en rapportage op activiteiten- en groter niveau, waardoor resultaten van acties niet te achterhalen zijn, en er ook geen uitspraak kan worden gedaan over de doelmatigheid van bestedingen en de effectiviteit van acties.  “Natuurlijk is de Wet Openbaarheid van Bestuur voor BINI een grote prioriteit”, zegt Ganga, “maar wat valt er aan informatie op te vragen als die informatie er simpelweg niet is?”.

Het Monitoringrapport is nog in concept. Klik hier om de Monitoringmatrices te downloaden. Lees de instructies op de eerste pagina. U kunt tot en met vrijdag 23 juni aanvullende informatie naar ons mailen.

donderdag 6 april 2017

Suriname vraagt in raptempo EITI-kandidaatschap aan

PROJEKTA zet zich vanaf 2010 in voor meer bewustwording over de Extractive Industries Transparency Initiative (EITI),  een wereldwijd initiatief voor transparantie in de zogeheten ‘extractive industries’, zoals mijnbouw, oliewinning en aardgaswinning.
Hierover berichtten wij al in de State of our Democracy nieuwsbrief van 2011 en 2015. Het EITI-proces in Suriname kreeg namelijk vaart vanaf Democratiemaand 2015, toen  PROJEKTA een lezing over de EITI organiseerde, in samenwerking met Trinidadiaanse partners de University of the West Indies (UWI) en de TTEITI. Tijdens die lezing toonde Regilio Dodson van Natuurlijke Hulpbronnen zich een uitgesproken en ondubbelzinnige voorstander van de invoering van de EITI in Suriname, waarbij hij de rol van PROJEKTA en het Burgerinitiatief voor Participatie en Goed Bestuur benadrukte als belangrijke partners in dit proces. “Ik zal alles in mijn macht doen om EITI te realiseren in Suriname”, verklaarde hij ferm.

Na de verklaring bleven PROJEKTA, het Burgerinitiatief, enkele bedrijven en het Ministerie in constant contact. Namens PROJEKTA deed Adit Moensi in maart 2016 mee aan de Internationale EITI Conference. Tevens zat PROJEKTA in de Stuurgroep ter voorbereiding van een groots nationaal EITI symposium, dat plaatsvond op 29 april vorig jaar. Op het symposium bracht de Minister van NH nogmaals een statement van committering aan het EITI-proces uit, ditmaal formeel namens de Regering. Dit is namelijk de eerste vereiste voor het kunnen aanvragen van de kandidaat-status van Suriname.

In de maanden erna bleven PROJEKTA en het Burgerinitiatief zich inzetten om aan de overige vereisten te voldoen: het samenstellen van een multistakeholder groep en het opstellen en goedkeuren van een werkplan voor de EITI-implementatie in Suriname.  Projekta is ook deel van de Suriname EITI Multistakeholder Groep, samen met andere civil society vertegenwoordigers van de Staatsolie Werknemers Organisatie, Green Heritage Fund Suriname, de Vereniging Inheemse Dorpshoofden Suriname (VIDS), de Federatie van Saramaccaanse Gezagsdragers en de Federatie van de 12 Lo’s der Okanisi.

Na de voorbereidende stappen te hebben voltooid, kon Suriname in maart dit jaar officieel de aanvraag voor ‘candidate’ status indienen bij het Internationaal EITI Secretariaat. De verwachting is dat deze nog in de eerste helft van 2017 zal worden goedgekeurd door de EITI International Board, een lichaam van 21 personen van verschillende EITI-lidlanden, ondersteunende landen, maatschappelijke organisaties, bedrijven, en financiële instellingen. Met de (verwachte) goedkeuring zal Suriname met een tijdsduur van ongeveer een jaar bovengemiddeld snel het proces hebben doorlopen. Gemiddeld doen landen er 2.8 jaar over tussen het moment van formele committering, en het verkrijgen van de kandidaat status.

Nu dat Suriname officieel de aanvraag heeft ingediend, is er op de website van de EITI ook een page aangemaakt voor Suriname, waar alle documentatie over het proces in Suriname openbaar toegankelijk is.


(NB: de kaart van Suriname is nog verkeerd afgebeeld op de page; hieraan wordt gewerkt)

vrijdag 24 februari 2017

Wordt 2017 het jaar van bestuurlijke transparantie en rekenschap?

De President heeft eind september 2016 tijdens zijn Jaarrede over het beleid in het Dienstjaar 2017 wederom de aanname van de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB) genoemd.  Dit als voorbeeld van te ontwikkelen nieuwe wetgeving of aan te passen oude wetgeving voor begeleiding en ondersteuning van de ontwikkelingen in 2017.  Als dit voornemen wordt gerealiseerd, dan gaat een lang gekoesterde wens van Projekta in vervulling.

Het ontbreken van een Wet Openbaarheid van Bestuur is in diverse edities van de State of Our Democracy nieuwsbrief aan de orde geweest. In de editie van 2014 presenteerde Fayaz Sharman een update van zijn onderzoek van 2012 over de staat van openheid van overheidsinformatie in Suriname. Zijn belangrijkste conclusie was dat er tussen 2012 en 2014 helaas bitter weinig was veranderd aan de slechte toegang tot overheidsinformatie. Het feit dat er een Wetsontwerp is voor Openbaarheid van Bestuur, en een Commissievergadering is geweest over de Anti-corruptiewet, noemde hij een belangrijke stap in de goede richting. “Nu nog de behandeling en de aanname”, was zijn slotopmerking.
Ook in de State of Our Democracy nieuwsbrief van 2015 is het ontbreken van de WoB opnieuw aan de orde geweest. In deze editie is naast een opsomming van de basisprincipes voor een Wet Openbaarheid van Bestuur ook een lijstje opgenomen van zaken die burgers graag nader onderzocht zouden willen zien, en/of diensten en instellingen die volgens hun doorgelicht zouden moeten worden.

Transparantie en Rekenschap
Sinds het onderzoek van Fayaz Sharman in 2012, en de uitspraak van de President in september 2016, laat de behandeling en aanname van de Wet Openbaarheid van Bestuur nog op zich wachten. Samen met de Wet op Jaarrekeningen en de Anticorruptiewet, zorgen deze wetten voor twee belangrijke elementen van Goed Bestuur, namelijk Transparantie en Rekenschap.
Goed Bestuur kan simpelweg gedefinieerd worden als het proces van besturen: van besluiten nemen, uitvoering en verantwoording afleggen. Transparantie en rekenschap zijn wederzijds van elkaar afhankelijk en versterken elkaar. Tezamen stellen ze burgers in staat om een stem te hebben in besluitvorming en om besluitnemers ter verantwoording te roepen.   
Transparantie heeft te maken met het hoe en waarom van besluiten. Publieke ambtsdragers en anderen moeten voorspelbare, en begrijpelijke besluiten nemen. De informatie naar de burgers toe moet relevant, toegankelijk, op tijd en accuraat zijn. Bij rekenschap gaat het om de verantwoording: het waarom van besluiten, wat zijn de gevolgen, en  hoe is een besluit genomen. Als er sprake is van rekenschap nemen publieke ambtsdragers (en bedrijven) verantwoordelijkheid voor hun daden. Schadeloosstelling /sancties zijn het gevolg wanneer rechten en verplichtingen niet worden nagekomen.  

Openbaarheid van Bestuur in tijden van financiële crisis
In 2016 is steeds duidelijker geworden dat ons land in een financiële crisis verkeert. Echter, het ontbreekt aan betrouwbare informatie over hoe groot deze crisis werkelijk is. Burgers zijn onvoldoende geïnformeerd over de reikwijdte van de financiële crisis door een gebrek aan transparantie en rekenschap. In tijden van crisis, waarbij de overheid het vertrouwen en de medewerking van burgers nodig heeft om de economie te stabiliseren, zijn transparantie en rekenschap van eminent belang. Als burgers onvoldoende informatie hebben over de reikwijdte van de crisis zullen ze van het slechtste uitgaan, en beslissingen nemen die een mogelijke grotere druk leggen op de verzwakte economie.   
Onderzoek over de hele wereld heeft aangetoond dat het Recht op Informatie het beste te verankeren is in een wet. Een wet, zoals de voorgestelde Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB), zorgt ervoor dat de burgerij inzage heeft in het overheidshandelen en daardoor effectief en efficiënt kan deelnemen aan overheidsbesluitvorming, en de overheid ter verantwoording kan roepen (waakhond-functie).
"In the face of doubt, openness prevails," is een uitspraak van Barack Obama in 2009 bij de aankondiging van het ontwikkelen van aanvullende regelgeving bij aanvragen van overheidsinformatie.   

Wet Openbaarheid van Bestuur in het Caraibisch gebied
Van de 20 landen in het Caraibisch gebied hebben acht een WoB (Belize, Trinidad & Tobago, Jamaica, St. Vincent, Antigua, Cayman Islands, Bermuda en Guyana). Vijf landen hebben een conceptwet (Bahamas, Barbados, Grenada, St. Kitts en St. Lucia). In maar zes landen ontbreekt nog elk openbaar spoor van  wetgeving: Montserrat, Dominica, Haïti, Turks and Caicos, Anguilla, British Virgin Islands, en Suriname.

In november 2016 organiseerde Projekta in samenwerking met het Burgerinitiatief voor Participatie en Goed Bestuur (BINI) voor de 9e keer de Democratiemaand. Deze editie was gericht op het bevorderen van kritisch democratisch burgerschap, onder het motto: ‘Kritische Burgers: Rechten en Verantwoordelijkheden’.
Net als voorgaande jaren heeft Projekta openbare activiteiten georganiseerd om een breed publiek te informeren over diverse democratische onderwerpen; dit keer middels een serie mini-seminars en mini-masterclasses met als kernthema’s: mensenrechten, financieel-economisch beleid en goed bestuur.
Sinds 2009 brengt Projekta aan het slot van de Democratiemaand ook de State of our Democracy-nieuwsbrief uit. Vanwege organisatorische omstandigheden is de publicatie van de nieuwsbrief niet gerealiseerd tijdens de Democratiemaand. De inhoud van de nieuwsbrief vinden wij echter te belangrijk om niet te delen met het publiek. Daarom publiceren wij de artikelen uit de nieuwsbrief alsnog. 

maandag 20 februari 2017

Zandafgraafvergunningen ondergraven goed bestuur

Onderstaand persbericht is op vrijdag 17 februari verstuurd naar alle media.

Zandafgravingen te Braamspunt
Foto: Rudi van Kanten
Het Burgerinitiatief voor Participatie en Goed Bestuur (BINI) schaart zich achter de oproep van het WWF, CI Suriname, Green Heritage Fund Suriname en de SHATA (Suriname Hospitality and Tourism Association) om de zandafgravingen te Braamspunt onmiddellijk stop te zetten.

De milieuorganisaties en de SHATA hebben duidelijk aangegeven welke de gevolgen zijn van het besluit om, ondanks de adviezen van experts, toch weer vergunningen te verlenen aan ondernemers voor het afgraven van zand en schelpen langs onze kwetsbare kust.

Het is onbegrijpelijk dat het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen is overgegaan tot deze toestemming. Immers, het was de huidige minister zelf die aan het WWF vroeg om een gedegen studie te doen naar de effecten van zandafgravingen aan de kust en in de kustvlakte. Het wetenschappelijk advies dat voortkwam uit deze studie was dat er onder geen beding langer zand en schelpen mogen worden gewonnen- de korte en lange termijn effecten op de biodiversiteit en op de kustbescherming zijn onomkeerbaar.

Een vraag die gesteld kan worden is: waarom vraagt de Overheid advies van een breed team van deskundigen als zij dat toch naast zich neer zal leggen als het advieshaar niet goed uitkomt? Maar de vraag die gesteld moetworden is: op basis waarvan worden besluiten nu eigenlijk genomen, en door wie? Deze onduidelijkheid over besluitvormingsprocedures en wie nu waar verantwoordelijk voor is, geeft aan hoe slecht het gesteld is met het goed-bestuurprincipe van transparantie en rekenschap.

Tegelijkertijd is het schrijnend om te zien hoe weinig de Regering zich iets aantrekt van haar eigen officiële voornemens. Er is een totale disconnectie tussen woord en daad.

In de Regeringsverklaring van het tweede Kabinet Bouterse wordt de bescherming van de kust als één van de belangrijkste randvoorwaarden voor het voortbestaan van de natie gezien; van cruciaal belang, en daarom zal er “de nodige prioriteit, onvoorwaardelijke politieke en beleidsaandacht” hieraan worden gegeven, voor een structurele en duurzame oplossing. “Er zal een urgentiebeleid van duurzame bescherming van onze kust gevoerd worden”; “De Regering streeft naar het behoud van evenwichtige ecosystemen in het kader van duurzame ontwikkeling. Dit betekent dat wij de grotendeels ongerepte  natuurlijke omgeving die wij geërfd hebben, niet alleen zullen beschermen, maar ook tot een geïntegreerd deel zullen maken van het economisch beleid gericht op de versnelde ontwikkeling van Suriname”. En als uitsmijter uit de paragraaf over milieubeleid: "Het milieubeleid (...) zal speciale aandacht geven aan de bescherming van de kust en het management van de kustzone.”

Het besluit is ook in tegenspraak met de zorgplicht van de Staat zoals verankerd in artikel 6g van de Grondwet, nl.: "het scheppen en het bevorderen van condities, nodig voor de bescherming van de natuur en  voor het behoud van de ecologische balans."

In zijn reactie in DNA stelt Minister Dodson dat de economische belangen in de bouw- en constructiesector de doorslag hebben gegeven voor het besluit. Echter, als wij als land werkelijk duurzame ontwikkeling nastreven kunnen korte termijn economische belangen van een  enkelen nimmer staan boven het nationaal belang.

Protesten van milieu-organisaties
Foto: Starnieuws
Het besluit voor de zandafgravingen op Braamspunt is niet alleen tegen elk principe van duurzame ontwikkeling, maar is ook in strijd met de door de Regering zo graag beoogde diversificering van de economie en armoedebestrijding. Immers, zandafgravingen leveren inkomsten aan slechts een aantal ondernemers, maar het schildpadtoerisme is een inkomstenbron van lokale gemeenschappen, die weinig andere economische mogelijkheden hebben. Bovendien is Braamspunt het dichtsbijzijnde strand vanaf Paramaribo en het leent zich uitstekend voor lokale dagtoeristen die zich een duurdere strandreis misschien niet kunnen permiteren.

Dit betreurenswaardig besluit was mede mogelijk vanwege het ontbreken van een goede institutionele structuur voor de milieusector. Er is geen enkel ministerie meer dat milieu onder zich herbergt, waardoor het elke keer weer gissen is wie verantwoordelijk is voor handelingen, voor bedenken en uitvoeren van de beleidsvoornemens en het toezicht daarop. Ook het gebrekkig wettelijk kader draagt bij aan de chaotische besluitvorming- in troebel water is het immers goed graven.

Het Burgerinitiatief voor Participatie en Goed Bestuur roept daarom niet alleen op tot onmiddelijke stopzetting van de zandafgravingen, maar roept de Regering ook op om nu duidelijkheid te scheppen in besluitvormingsprocessen door het instellen van een duidelijke, transparante institutionele – en besluitvomingsstructuur voor milieu. Aan de Nationale Assemblee de taak om met de meeste spoed de Milieuraamwet en de Wet op Kustbescherming in behandeling te nemen.

vrijdag 18 november 2016

Nationale Visie voorwaarde voor optimaal benutten gouddeals

Een nationale visie is een basisvoorwaarde voor het optimaal benutten van gouddeals. Dit kwam naar voren bij het mini-college ‘Transparantie in de Gouddeals’, verzorgd door Aroen Gangaram Panday als onderdeel van de 9e Democratiemaand.

Gangaram Panday startte het college door het publiek te vragen naar hun mening over de stelling “De volgende goudmijn moet 100% in handen zijn van de Surinaame overheid of Surinaamse aandeelhouders”. Zo’n 50% van de zaal was het eens met de stelling.

Meedoen aan het mijnen van goud, om zodoende “een deel van de koek” binnen te halen is de laatste jaren steeds het streven van opeenvolgende regeringen geweest. In een vergelijking van de vier verschillende gouddeals die de Staat aanging (3 met IAMGOLD en 1 met Newmont), bleek dat het pas bij de laatste onderhandeling is gebeurd. Daar is de Staat zelf voor 5% directe aandeelhouder, en voor 20% via Staatsolie.

Echter, als alle cijfers over de kosten van de goudwinning versus de opbrengsten van deze laatste gouddeal worden uiteengezet in een model, dan blijkt het dat participatie van de Staat nauwelijks zorgt voor meer directe inkomsten voor de Staat. En als de goudprijs blijft dalen, dan zal de Surinaamse Staat zelfs verlies lijden. Uit geen van de neergepende beleidsvoornemens en uitspraken gedaan in DNA en de media, is duidelijk onderbouwd waarom er toch voor deze participatie-optie is gekozen. Duidelijk is dat er vooraf niet voldoende is nagedacht over de praktische uitvoerbaarheid, en over de mogelijke risico’s voor de Staat en de bevolking. Iemand uit het publiek vergeleek dit oneerbiedig met een ‘hond die achter een auto rent, maar niet weet wat ermee te doen als hij het vangt’.

De presentator beschreef daarna verschillende andere opties die Staten hebben om mee te kunnen genieten van de opbrengsten uit de mijnbouwsector, waaronder progressieve belasting, ‘sliding-scale royalties’, en ‘resource-rent’ belasting. Met behulp van internationale statistieken toonde hij aan dat participatie van Staten in de mijnbouw (behalve voor olie) niet gangbaar is. Dit omdat investeringen vaak moeten komen van grote multinational bedrijven of van leningen van internationale banken. Echter, zowel grote multinationals als internationale banken vinden het vaak veels te riskant om geld te investeren in overheden van Derde Wereld landen, uit bezorgdheid over slecht bestuur, politieke instabiliteit en corruptie.

Overheden hebben vooral niet-commerciële voordelen aan het participeren: het is soms een strategische zet, er kunnen partijpolitieke overwegingen zijn, het is een zaak van nationale trots, en zo zijn er nog meer, stelt Gangaram Panday. Maar uit de praktijk van landen in Zuid Amerika, Europa, Afrika en Azië blijkt dat de mogelijke nadelen (behalve voor het financieel / commercieel risico) ook legio zijn, waaronder belangenverstrengeling, corruptiegevoeligheid, en te weinig expertise en ervaring. Een niet te onderschatten gevolg is dat door de investeringen die de Staat moet plegen om mee te doen als aandeelhouder in de goudmijnen, zij minder geld heeft te besteden  aan andere prioriteiten zoals onderwijs en gezondheidszorg, die de basis publieke diensten zijn die een Staat moet leveren aan haar bevolking.

De grote vraag bleef na dit
gedeelte van het college: “Moeten wij wel willen participeren? En HOE moeten we dan participeren?”

Volgens Gangaram Panday zijn er zijn fundamentele issues vooraf, die wij moeten meenemen bij het onderhandelen over gouddeals. Er moeten sterke instituten en controlemechanismen zijn, duidelijke mijnbouw wetgeving, en een goede mix van inkomsten uit belastingen, royalties, resource-rent belastingen etc.  Allerbelangrijkste issue bleef wel: participatie in de mijnbouw moet slechts op basis van een gedegen sector-strategie en lange termijn ontwikkelingsplan, in plaats van adhoc beslissingen, zoals nu het geval lijkt te zijn. Met een goede langetermijn visie,  dat verder strekt dan ‘de volgende verkiezingen’ kunnen wij als land ervoor zorgen dat wij de (tijdelijke, eindige) opbrengsten uit de mijnbouwsector kunnen inzetten voor langetermijn ontwikkeling van verschillende sectoren. Er zijn in de afgelopen decennia meerdere pogingen geweest om een dergelijke strategie te maken voor Suriname, maar alle pogingen bleven vruchteloos.

De kern bleef: als het ons te doen was om een groter deel van de goudkoek, het maximaliseren van de staatsinkomsten, dan waren er minder risicovolle manieren geweest dan aandeelhouder worden. 

donderdag 17 november 2016

Wetten kunnen transparantie en rekenschap bevorderen

De Wet op de Jaarrekening, de Anticorruptiewet, en de Wet Openbaarheid van Bestuur zijn nu nog belangrijker dan ooit. Als we in een bubbel leven waarin geld geen probleem is, dan zijn er weinigen die zich echt druk maken om wat de Regering doet, hoe zij ons geld besteedt, welke besluiten er worden genomen.


Natuurlijk, zo af en toe is er een roep om de meest in het oog springende gevallen van corruptie aan te pakken, maar veel energie steken we daar niet in. Zolang ons leven niet teveel wordt beïnvloed, laat ze maar hun gang gaan – we kunnen toch weinig doen aan die toestanden, is de teneur.
Maar als de crisis toeslaat, dan zijn we plots allemaal wakker, en gaan we vragen stellen: waar is het geld naartoe? Wie is verantwoordelijk voor deze toestanden? Zijn wij wel beschermd tegen besluiten die zo een negatieve invloed op ons leven hebben?

Als we onze wetgeving in orde hadden, dan was ons een hoop ellende bespaard gebleven. Misschien niet alles, maar we zouden in elk geval de middelen hebben om zelf te oordelen wie waarvoor verantwoordelijk is. We zouden weten welk deel van onze energierekening wordt gebruikt om de mooie salarissen en  prachtige secundaire voorwaarden van de EBS-werknemers te betalen. We zouden ook weten hoe de besluiten zijn genomen om leningen aan te gaan, en we hadden de middelen om na te gaan welke minister of andere politieke ambtsdrager  plotseling rijker is geworden.

Maar we missen nog steeds enkele onmisbare schakels voor goed bestuur, zoals de Wet op de Jaarrekening, de Wet Openbaarheid van Bestuur en de Anticorruptiewet. Deze zijn nodig om meer transparantie en rekenschap te eisen en te krijgen van de Staat en van bedrijven met wie zij zaken doen. Dit was de centrale gedachte bij het mini-college ‘Drie wetten die wij niet hebben: Wet op de Jaarrekening, de Anticorruptiewet, de Wet Openbaarheid van Bestuur’. Het mini-college werd verzorgd door Cyril Soeri van de Surinaamse Vereniging van Accountants, en Rayah Bhattacharji en Sharda Ganga van PROJEKTA, als onderdeel van Democratiemaand 2016.

Goed Bestuur kan simpelweg uitgelegd worden alshet proces van besturen, van hoe besluiten worden genomen, hoe die worden uitgevoed, en hoe daar verantwoording over wordt afgelegd.

Deze drie wetten zijn direct te linken tot twee van de algemeen erkende elementen van goed bestuur, namelijk transparantie en rekenschap.

De vraag dan is: waarom hebben wij deze wetten nog steeds niet?

Wet op de Jaarrekening: onze financiele standaarden naar deze eeuw brengen
Jaarrekeningen geven aan wat de financiële resultaten zijn van een organisatie. Inleider Cyril Soeri legde aan de hand van een actueel voorbeeld hoe een jaarrekening gelezen kan worden – welke  informatie je er uit kunt halen, maar vooral: wat je er niet uit kunt halen. Er zijn namelijk geen algemeen geldende (verplichte) regels over hoe financiële verslagen (zoals Jaarrekeningen) er uit moeten zien. Aandeelhouders, cliënten, investeerders en anderen beschikken daardoor niet over tijdige en betrouwbare financiële informatie. Dit is vooral van belang bij zogeheten ‘organisaties van openbaar belang’, zoals staatsbedrijven, zorginstellingen, verzekeringsmaatschappijen, financiële instellingen en anderen. Bij deze organisaties, kunnen de maatschappelijke gevolgen van ondeugdelijk financieel beleid enorm groot zijn. 
Ondermeer daarom heeft de SuvA gemeend om een conceptwet te ontwerpen, waarin wordt vastgelegd welke organisaties jaarverslagen moeten maken, welke financiële standaarden worden gehanteerd, door wie de controle plaats moet /mag vinden, en hoe de uitkomsten worden gepubliceerd.
De Conceptwet is breedvoerig besproken met accountantskantoren, bedrijfsleven-organisaties, en de Ministeries van Handel & Industrie en Financiën.

De Anticorruptiewet en de Wet Openbaarheid van Bestuur
De roep om een Anticorruptiewet is al enkele decennia te horen. Het nam een grotere vlucht nadat Suriname toetrad tot het Interamerikaans verdrag tegen Corruptie in 2002. Bhattacharji schetste de tijdlijn van de verschillende stappen die zijn genomen sindsdien
Een opvallende trend: na elke verkiezing is er een nieuw concept, een nieuwe DNA-commissie (natuurlijk, omdat je vaak genoeg nieuwe dna-leden hebt), en begint de cyclus van nieuw concept maken, nieuwe hearings, nieuwe commissievergaderingen, opnieuw.

Elke nieuwe versie van de conceptwet bleek minder zeggings-en daadkracht te hebben. Uiteindelijk is eind 2015 de huidige versie totstand gekomen, nadat diverse maatschappelijke en deskundige groepen, waaronder Projekta, de conceptwet van 2014 als totaal inadequaat hadden bestempeld.
Voor Projekta gold dat de Anticorruptiewet als uitgangspunt dient te nemen, het Interamerikaans Verdrag tegen Corruptie, welke Suriname ratificeerde in 2002. De Surinaamse wet zou dit verdrag als uitgangspunt moeten hebben en minstens de onderdelen en lijn daarvan moeten volgen. Maar ons concept is daar een slap aftreksel van.

Zo wordt niet gerept over het terugvorderen van bezit dat door corruptie is verkregen, en zijn niet alle corruptieve handelingen strafbaar gesteld. Het verbergen van bezittingen,  grensoverschrijdende omkoping, en vriendjespolitiek,  komen bijvoorbeeld niet voor.

De huidige conceptwet is zeker niet zaligmakend, het is dus zaak om als burgers te blijven hameren op staatsbesluiten die de gaten dichten en de wet ind e praktijk de tanden te geven die het nodig heeft om corruptie aan te pakken en te voorkomen.

Maar ook zonder de ACW zijn er genoeg instrumenten die het mogelijk maken om corruptie aan te pakken, van de personeelswet tot het wetboek van strafrecht. Maar er moet dan wel een wil zijn om het echt aan te pakken.

Ganga gaf ook aan dat tijdens de diverse trainingen, presentaties en discussies die Projekta in de loop de tijd heeft verzorgd, er twee vormen van corruptie blijken te zijn die niet als zodanig herkend worden door velen in Suriname, met name in de publieke functies. Belangenverstrengeling blijkt voor velen een blinde vlek, en nepotisme en vriendjespolitiek is algemeen geaccepteerd. Pas als we inzien dat deze twee handelingen ook vallen onder de noemer van corruptie, en het als zodanig benoemen, zullen we een eind kunnen maken aan deze praktijken die op lange termijn nog veel schadelijker zijn gebleken voor ons land dan welke frauduleuze handeling dan ook.

Naast de Anticorruptiewet is ook de wet Openbaarheid van Bestuur door de President genoemd als wetgeving die het komend jaar zal worden aangepakt – deze belofte staat ook al in de eerste Regeringsverklaring van President Bouterse in 2010, en de tweede van 2015.

Samen met de Anticorruptiewet en wet-en regelgeving voor instelling van een Ombudsinstituut, vormt de Wet Openbaarheid van Bestuur het belangrijkste wettelijk kader voor corruptiepreventie- en bestrijding. Daarnaast stellen ze burgers ook in staat om hun rechten te beschermen en onrechtvaardige en onwettige besluiten van de Staat en de Overheid aan te vechten.

In de Surinaamse Grondwet staat het recht op informatie ook verankerd, o.a. in artikel 158 lid 1, welke stelt dat een ieder het recht heeft om door de overheidsadministratie geïnformeerd te worden over zaken waarbij hij direct belang bij heeft en omtrent eindbeslissingen, met betrekking tot hem genomen. Nu is de burger overgeleverd aan de goedwillendheid van ambtenaren om informatie te verkrijgen – ook als het om zaken gaat die de burger in kwestie persoonlijk raken.

Bhattacharji ging in op wat een Wet Openbaarheid van Bestuur minimaal zou moeten omvatten, zoals de voorwaarden waaraan de informatie moet voldoen (het moet begrijpelijk en toegankelijk zijn voor burgers), en welke informatie minimaal ter beschikking moet wordne gesteld, zoals informatie over hoe instanties functioneren, hun kosten, hun doelen, boekhouding, standaarden, en behaalde doelen; besluiten of beleid die de burgers raken, inclusief achtergronden en motivering.


Projekta gaf aan dat zij de sessie organiseerden om te voorkomen dat we straks weer een wetsontwerp krijgen dat nauwelijks het papier waarop het wordt geprint waard is , zoals met de vorige concept van de ACW het geval was.

maandag 1 februari 2016

De bezem door de Kamer van Koophandel


Dit artikel verscheen eerder in de ‘State of our Democracy 2015’. De gehele nieuwsbrief vindt u hier.

Op een dag in 2013 was Karin Refos in Indonesië, als deel van een KKF-handelsmissie. Refos is directeur van het communicatiebureau Stas International en dit jaar prominent aanwezig in het publiek debat met de OOK ZIJ campagne voor meer vrouwen in het politiekbestuurlijke. Ze keek in Indonesië om zich heen en realiseerde zich dat zij de enige vrouw was die daar was vanuit het bedrijfsleven, de rest van de vrouwen was meegekomen als partner van een zakendoende man.

“Zijn er geen vrouwen in het KKF-bestuur?”, vroeg Refos aan de voorzitter van het KKF. “Nee”, was het antwoord. “Dan wil ik wel”, gaf Refos aan, “en met mij nog vele andere vrouwen.” De KKF-voorzitter raadde haar aan om dan mee te doen met de eerstvolgende KKF-verkiezingen. In het eerste OOK ZIJ debat kwam het gebrek aan vrouwen in het KKF-bestuur ook ter sprake en werd aangegeven dat men wel moeite had gedaan om meer vrouwen te interesseren. De Kamer heeft niet geïnvesteerd in het daadwerkelijk trachten na te gaan wat de obstakels waren voor vrouwen en die door middel van gerichte acties weg te werken, was de kritiek hierop. Net als in de politiek blijven vrouwen niet weg omdat ze niet willen of kunnen, maar omdat er zichtbare en onzichtbare obstakels op hun pad zijn.

Het is tijd voor nieuw bloed in de Kamer, en daar is de huidige voorzitter het gelukkig mee eens, zegt Refos. “De verkiezingen van de Kamer zijn al veel te lang een ons-kent-ons verhaal. Sommige bestuursleden zitten al langer dan 20 jaar in het bestuur. Ze worden keer op keer door een paar enkelingen die toegang hebben en de verkiezingen orchestreren, geplaatst”, vindt Refos. Het is dan begrijpelijk dat vrouwen, die niet in die innercircle te vinden zijn, al bij voorbaat niet geneigd zijn om uit zichzelf achter een bestuursfunctie aan te gaan. Het proces is namelijk behoorlijk ingewikkeld, zeker als je geen ondersteuning hebt van binnenuit.

Achterhaalde wet 
Het bestuur van het KKF komt tot stand middels een trapsgewijze verkiezing, in twee rondes. In de eerste ronde wordt de totale Kamer gekozen, per branche. De Kamer bestaat uit 21 leden en 21 plaatsvervangers die om de vier jaar worden gekozen door de acht bedrijfsgroepen van het KKF: detailhandel, overige handel en tussenpersonen, nijverheid en industrie, financiële instellingen en het verzekeringswezen, verkeersbedrijven, hotel-, café-, restaurant- en amusementsbedrijven, mijnbouw en industriële verwerking van mineralen; en bosexploitatie en industriële verwerking van bosproducten. Elke branche kiest tussen de twee en vier personen, en de gekozenen van alle acht branches vormen samen de Kamer. In de tweede ronde wordt, iedere twee jaar, het bestuur van de Kamer bepaald. De 21 leden in de Kamer kiezen dan uit hun midden een dagelijks bestuur van acht personen. Iedere bedrijfsgroep wordt door één lid vertegenwoordigd in het bestuur. Nu schuift volgens de wet de oudste uit de branche automatisch op naar het dagelijks bestuur. Een onrechtvaardige en gedateerde regel als je ooit verjonging en vernieuwing wil doorvoeren.

Een kandidatenlijst voor de brancheverkiezing moet door minstens 20 bedrijven van die branche worden ondersteund. Branches met minder dan 200 leden volstaan met tien procent. Bekijk je deze regel goed, dan zie je een ongelijkheid tussen de branches opdoemen. Immers, hoe meer bedrijven een branche telt, hoe kleiner het percentage dat nodig is om de 20 vereiste ondersteuners te halen. Bijvoorbeeld: als een branche 1000 bedrijven telt, dan is slechts twee procent nodig om de lijst te ondersteunen.

Addertje 
Er is echter nog een addertje onder het gras. Om kandidaat te staan moet het bedrijf van degene die zich kandidaat stelt voldoen aan twee eisen: minstens één jaar ingeschreven staan in het KKF-register, en voor 1 juli van het verkiezingsjaar de contributie betaald hebben. De kandidaten zelf moeten als persoon (directeur) voor 1 oktober van het verkiezingsjaar ingeschreven staan in het KKF register als vertegenwoordiger van het bedrijf. Dit wordt echter niet van tevoren gecommuniceerd aan personen die zich opmaken om een lijst in te dienen. Aan Refos werd bijvoorbeeld slechts gezegd: “Ga maar de wet bestuderen om mee te doen”. Dit onderscheid tussen persoon en bedrijf zorgt voor veel onduidelijkheid en bevestigt dat het hoog tijd is voor herziening van de wet waarin het verkiezingsproces is vastgelegd. Deze wet stamt uit 1962 en daarin staat ook dat vrouwen formeel geen deel mogen uitmaken van het bestuur. Hiermee is het KKF in strijd met zowel de Grondwet als de internationale conventies waaraan Suriname zich heeft gecommiteerd, waaronder CEDAW.

KKF voor de toekomst 
Er ook op ander vlakken veel werk aan de winkel. Het bedrijfsleven geeft al decennia lang aan dat er een cultuur van nontransparantie is binnen de Kamer, zegt Refos, en zij heeft indruk dat er vooral persoonlijke belangen worden gediend. “De Kamer van Koophandel is er voor het bedrijfsleven en niet omgekeerd”, zegt ze. Het KKF hoort een cruciale rol te vervullen in de ontwikkeling van het ondernemerschap in Suriname. Ze hoopt, indien tot de Kamer gekozen, en helemaal indien ze tot het bestuur kan doordringen, om meer transparantie af te dwingen over nevenactiviteiten van de Kamer, de verkiezingsprocedure te helpen vereenvoudigen en moderniseren, een evaluatie te plegen om na te gaan in hoeverre de bestaande brancheverdeling en hun afvaardiging in de Kamer synchroon loopt met de ontwikkelingen van bedrijfstakken in Suriname, meer inspraak van de leden in de rol te bewerkstellingen en activiteiten van de Kamer ter discussie te stellen. Ze wil, samen met haar kandidaten, bijdragen aan de vervulling van alle taken die de Kamer heeft ter bevordering van het ondernemerschap in Suriname. Hieronder valt bijvoorbeeld ook het aansporen van bedrijven om mee te werken aan onderzoek naar het bedrijfsleven door instituten als het Algemeen Bureau Statistiek. Het wantrouwen moet weg en men moet beseffen dat beleid alleen gemaakt kan worden als men beschikt over informatie. Maar eerst moet die wet van 1962 op de schop.-

Wilt u meer lezen over de staat van onze democratie in 2015? Lees dan ook de andere artikelen van de ‘State of our Democracy’ nieuwsbrief.