vrijdag 14 november 2014

Vakbeweging en bedrijfsleven gaan samen voor ‘Decent Work’

Werkgevers en werknemers streven hetzelfde doel na, zei VSB-voorzitter Ferdinand Welzijn, bij de tweede discussie die PROJEKTA organiseerde in de 7e Democratiemaand. Hij zette hiermee de toon van de avond. 
Het thema van de discussie-avond van 13 november 2014 was “Fatsoenlijk werk, Duurzame Ontwikkeling en Democratie”.  De VSB verwacht dat haar leden de beste verstandhouding proberen te hebben met haar werknemers, want het best draaiende bedrijf is het bedrijf waar men oor heeft voor de belangen van het bedrijf- en dus ook de belangen van haar werknemers. Naast Welzijn sprak ook Robby Berenstein, voorzitter van de C-47 Vakcentrale, het publiek toe.

Tijdens beide presentaties kwam een beeld naar voren van samenwerking en afstemming tussen bedrijfsleven en vakbeweging. Niet altijd zijn ze het met elkaar eens over de exacte invulling van arbeidsgerelateerde vraagstukken, maar zowel vakbond als bedrijfsleven staan achter het Decent Work Programma van de ILO en achter de principes van duurzame ontwikkeling; en werken ze samen aan de invulling daarvan voor Suriname. Beide presentatoren maakten indruk met hun gedegen kennis van de materie, hun vermogen deze te vertalen voor mensen die zich niet elke dag verdiepen in arbeidsmarkt- en arbeidsrechtvraagstukken en hun no-nonsense beantwoording van de vele vragen uit het publiek.

Duurzame ontwikkeling en ondernemers
“Un’ no kan por’ en gi a nageslacht”, vervolgde Welzijn. Niet alleen ondernemers, maar wij allemaal, moeten in al ons handelen en gedrag rekening houden met wie er na ons komt. “Wij kunnen plezier hebben, een goed leven, maar we hebben een sterkere plicht om iets goeds achter te laten.” De eindigheid van natuurlijke hulpbronnen als goud en bauxiet noopt tot het focusen op andere, duurzame sectoren, zoals toerisme en landbouw. Maar dat moet wel volgens een gedegen planning. Naast duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen zijn voor de VSB o.a. van belang het stimuleren van innovatief ondernemerschap, verhoging van het concurrentievermogen en goede infrastructuur. Voor duurzame ontwikkeling die tegemoet komt aan de behoeften van zowel de werkgevers als werknemers staat het creëren van werkgelegenheid en de verhoging van arbeidsproductiviteit voorop, evenals een betere aansluiting van het onderwijs op werkgelegenheid en een stijging van lokale en internationale investeringen.

VSB voor maatschappelijk verantwoord ondernemen
De VSB staat voor dat bedrijven niet alleen winst als doel hebben, maar ook het belang inzien van zorgen voor een goed milieu, en bijdragen aan de ontwikkeling van de totale gemeenschap. “Wij zeggen  dat je jezelf niet moet bevoordelen, ten nadele van de gemeenschap; en dat ook andere ondernemers voordeel hebben bij jouw succes. Dat je een voorbeeld bent voor je omgeving”, zegt Welzijn.
Aspirant-leden van de VSB worden daarom niet alleen gevraagd naar de gewoonlijke gegevens, zoals branche, adres, aantal werknemers en “hoe kom je aan je geld”. Ze worden ook gevraagd naar principes van bedrijfsvoering: hoe denk je over arbeidsverhoudingen, hoe ga je om met de gemeenschap, hoe ga je om met de factor arbeid. De VSB oefent geen harde dwang uit, maar probeert achter gesloten deuren haar leden te motiveren en te scholen in de decent work principes, maar ook in de principes van duurzaam en maatschappelijk verantwoord ondernemen. Zo wordt er volgend jaar een award ingesteld voor bedrijven die het meest voldoen aan de eisen van maatschappelijk verantwoord ondernemen.

Overheid schuldig aan arbeidstekort
Maar de factor arbeid blijft problematisch. Het publiek wees op de discrepantie op de Surinaamse arbeidsmarkt: enerzijds een hoge werkloosheid onder met name jongeren, en anderzijds een arbeidstekort. Hoe komt dat toch, werd gevraagd, zijn Surinamers te lui om te werken?
Volgens de inleiders is er vooral een structureel tekort aan goed opgeleide krachten.
Ons onderwijs is nog steeds niet voldoende afgestemd op de arbeidsmarkt. De nieuw aangekondigde Nationale Trainings Autoriteit moet gaan zorgen voor betere aansluiting op de behoeften van de arbeidsmarkt, en vooral op de naadloze aansluiting van school en werk, zodat mensen werkervaring kunnen opdoen terwijl ze nog studeren. Waar we behoefte aan hebben zijn multi-inzetbare werknemers en vaktechnische experts. Momenteel is er een hoge import van arbeidskrachten in technische beroepen- er zijn  Filipijnse artsen en verpleegkundigen, Haitianen in de agrarische sector, Chinezen in de bouwsector, Vietnamezen, Brazilianen, Nederlanders. Maar ook de Overheid is debet aan het tekort aan arbeidskrachten. Door gemakkelijk baantjes te verdelen via nepotisme en regelarij bijvoorbeeld, en door het niet structureel en systematisch stimuleren van ondernemerschap.

Wetgeving: je moet niet op mijn terrein komen
Dat we verder zijn afgezakt op de Doing Business Index ligt vooral aan ons gebrekkig wetgevingskader. Jamaica ging van de 89e naar de 58e plaats – nog nooit heeft een Latijns Amerikaans en Caraibisch Gebied zo een grote sprong vooruit gemaakt. Dat komt doordat ze hun wetgeving hebben aangepakt met behulp van Compete Caribbean. De Competitiveness Unit in Suriname heeft zich ook hard ingezet voor verbetering van het ondernemersklimaat om de achterstand van meer dan 150 wetten in te halen. Waarom dat nog steeds niet goed komt, werd gevraagd door het publiek. Volgens Welzijn is dat omdat er weinig coordinatie is in de Regering. “Het lijkt alsof we een Regering hebben, maar wat we in feite hebben zijn verschillende belangen, er is weinig synchronisatie en gelijkgerichtheid binnen de Raad van Ministers”. Voor de totstandkoming van wetten zijn verschillende ministeries nodig, maar ook anderen, zoals de VP. Iedereen beperkt zich echter tot het eng eigen belang; men vecht over wie waar verantwoordelijk voor is, en zegt:”je moet niet op mijn terrein komen”.

Waar wetten stranden
Robby Berenstein gaf een uiteenzetting over de geschiedenis van het begrip “decent work” en de werking van het ILO. Hij gaf aan dat het  ministerie van ATM nu bezig is met het Decent Work Country programma voor Suriname. Reeds in 2011 heeft de vakbeweging daar een seminar over georganiseerd en de aanbevelingen en prioriteiten aangegeven aan de Overheid. “We weten niet wat hoe het staat met die inbreng. We weten ook niet concreet hoe ver men is met het formuleren en het implementeren van het Country programma”, zegt Berenstein.
Voor de vakbeweging is een van de belangrijkste probleempunten voor wat betreft fatsoenlijk werk in Suriname, dat de wetgeving op basis van ILO standaarden nog ver achter loopt. “Op dit moment zijn er 5 of 6 wetten die liggen tussen het Arbeidsadviescollege (AAC) en de Ministerraad, o.a. de aanscherping van de wet Bemiddelingsraad, die van belang is voor zowel werknemers als werkgevers.”

Ad hoc beleid en sociaal contract
Creëren van werkgelegenheid gebeurt veels te adhoc, zegt Berenstein, er is een volkswoningbouwproject hier, dan de uitbreiding raffinaderij Staatsolie, maar er is geen interministeriele coordinatie die de creatie van werkgelegenheid monitoort. We weten niet welke jobs nodig zijn, welke skills, en wanneer. Het Ministerie van ATM zou de belangrijkste plaats moeten innemen bij het plannen van werkgelegenheid.

Berrenstein vindt het sociaal zekerheidsstelsel een stap in de goede richting naar invulling van het decent work programma, maar ook dat gebeurt ad hoc.  Het sociaal contract zoals door de President werd aangekondigd en veelvuldig wordt aangehaald, is eigenlijk nooit goed uitgewerkt en ingevuld: wat wordt er concreet mee bedoeld? Een sociaal zekerheidstelsel houdt meer in dan alleen pensioenen, basisgezondheidszorg en minimumloon. Waar blijven bijvoorbeeld de voorzieningen voor mensen met een beperking? Voor mensen in het binnenland die ver van diensten wonen, en geen inkomen hebben?
“We moeten er ook voor waken dat dit soort maatregelen niet verworden tot “sociaal bezig zijn”, dingen doen om het volk zoet te houden, maar die niet te betalen zijn. Dan zijn we over vijf jaar nergens. “Als je slechts werkt aan sociale zekerheidstelsels en sociale woningbouw, maar niet tegelijkertijd het ondernemerschap aanpakt, de werkgelegenheid en productiviteit systematisch en doordacht stimuleert, dan hebben we straks wel geweldige sociale voorzieningen, maar zal iedereen voor zijn eten afhankelijk zijn van de Overheid”, volgens Berenstein.

Gebrek aan transparantie
Het hoofddoel van de vakbeweging is herverdeling van welvaart, en in dat kader passen sociaal zekerheidsstelsels. Maar corruptie is een enorme bedreiging voor de sociale zekerheid. Het uitgavenbeleid van de regering is problematisch; het effect van maatregelen zoals de benzineprijsverhoging kun je daarom ook niet goed inschatten, want het is alsof het geld in een zwart gat terecht komt; teveel zaken met betrekking tot het uitgavenbeleid van de Overheid zijn onduidelijk.
Gebrek aan transparantie is een van de grootste euvels voor duurzame ontwikkeling, ondernemerschap en de rechten van arbeiders.

Gebrek aan dialoog: ga maar een partij oprichten
Beide inleiders hekelden het gebrek aan structureel overleg met de Regering. “Bij ingrijpende besluiten zoals verhoging van de benzineprijs welke een direct effect hebben op de doelgroep, moet er van tevoren goed overlegd worden met de sociale partners, je kunt niet over een nacht ijs gaan” zegt Welzijn.
Er is een Tripartiet overleg gestart, maar de SER is nooit meer benoemd na het verstrijken van de zittingstermijn van de vorige SER – men vond dat niet nodig, want er was al een tripartiet overleg. Maar het tripartiet overleg is voor acute korte termijn zaken, en de SER voor beleid op lange termijn. Bovendien zit de VSB niet aan bij het tripartiet overleg. Het niet meedoen van de VSB geeft een grote deuk aan het concept van sociale dialoog, zegt Berenstein: “Eigenlijk zouden we het gewoon sociale dialoog moeten noemen om de verwarring weg te maken.”
Volgens hem vindt de regering het niet nodig om de SER in te stellen, want men zegt: “de SER gaat me hinderen in mijn werk; ik wil niet te maken hebben met een stelletje wetenschappers, en met allerlei theorieën, ik wil dingen gedaan krijgen”.

Hij verteld dat ze soms te horen krijgen: “Ik heb de macht, als jij dingen gedaan wil hebben, dan moet je maar een partij oprichten, dan kan je ook invloed hebben”. We merken, zegt Berenstein tot slot, dat als men eenmaal in de Regering zit, men weinig respect heeft voor georganiseerde instituten, er worden verdeel- en heerstactieken toegepast, een van de meest toepaste strategieën de afgelopen periode.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen