Posts tonen met het label democratiemaand. Alle posts tonen
Posts tonen met het label democratiemaand. Alle posts tonen

zaterdag 12 december 2020

Werk aan de winkel voor de Rechtsstaat

In de derde Zoom paneldiscussie tijdens de Democratiemaand 2020 van Projekta, stond de rechtsstaat centraal. De virtuele paneldiscussie, gehouden op woensdag 2 december, concentreerde zich rond de ‘Rule of Law Index’ welke elk jaar wordt gepubliceerd door het World Justice Project. De Index meet de status van de rechtsstaat in de hele wereld aan de hand van een aantal factoren, zoals beperkingen aan de macht van de overheid, de afwezigheid van corruptie, de civiele en strafrechtspraak.
Ineke de Miranda, voormalig rechter, thans lid van de Raad van Advies van het Centrum voor Democratie en Rechtspleging (CDR) ging in haar presentatie in op de overall score van Suriname op die index. In vergelijking met het vorig jaar is Suriname een aantal plekken gedaald op de Index, van plek 69 (van de 126 landen) naar de 76ste plaats (van de 128 landen) – de onderste helft van de Index dus. Er is werk aan de winkel om onze rechtsstaat sterker te maken, stelde de Miranda. 

Het is belangrijk om niet alleen te kijken naar de overall score op de hoofdfactoren, omdat die een vertekend beeld kunnen geven. Zo lijkt op het eerste gezicht Suriname nog redelijk te scoren als het gaat om ‘Open Government’, een begrip dat de principes omvat van transparantie, integriteit, het afleggen van rekenschap en participatie van belanghebbenden. Nu lijkt er in Suriname wel een redelijke mate van stakeholder participatie, maar het ontbreekt aan systematische en tijdige publicatie van informatie door de overheid, er is geen wet Openbaarheid van Bestuur en klachtenmechanismen zijn of niet-bestaand of functioneren slecht. 

Zo is het voor elk van de hoofdlijnen van de index belangrijk om verder te kijken. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor de factor ‘Orde en Veiligheid’ waarbij Suriname een perfecte 1 scoort voor afwezigheid van burgerlijk conflict (burgeroorlog), maar vervolgens een ontzettend laag cijfer (0.2) scoort als het gaat om ‘afwezigheid van gewelddadig verhaal halen’(violent redress). Dit duidt erop dat in Suriname personen veels te vaak geweld aanwenden om onderlinge geschillen op te lossen. ‘Ik vraag me af hoe dat zou komen’, stelde de Miranda.

Grondwetswijziging
Er zijn ook gebieden waar Suriname het over het algemeen goed doet, zoals het waarborgen van de fundamentele rechten zoals vrijheid van geloof en religie; van vereniging en vergadering; en de vrijheid van meningsuiting. De Miranda vroeg aandacht voor een aantal aanbevelingen die zijn gedaan  tijdens de conferentie “Democratie, rechtsstaat en rechtspleging” georganiseerd door het CDR vorig jaar, die moeten bijdragen aan een sterkere rechtsstaat in Suriname, zoals investeringen in het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand en het voortzetten van de overgang van het beheer van de rechterlijke organisatie van het Ministerie van Justitie en Politie naar de rechtsprekende macht. Een andere aanbeveling van de conferentie is dat het ‘s lands bestuur uiterlijk in 2021 een wetsvoorstel aan De Nationale Assemblée aanbiedt voor substantiële wijziging van delen van de Grondwet met betrekking tot o.a. het regeerstelsel, het kiesstelsel, de maximale benoemingstermijn voor de president, het recht van ontbinding van het parlement, specifieke rechten van inheemsen en tribale volkeren, financiering van politieke partijen en beschrijving van een memorie van toelichting bij de Grondwet. 

De staat van Civiele- en Strafrechtspraak 
Ook Eloa van der Hilst, advocaat in overwegend het civiele recht, stond stil bij hoe wij onze rechtstaat sterker kunnen maken. Zij focuste zich in haar presentatie vooral op de aspecten van het civiele en strafrecht. Bij het beoordelen van het civiele en strafsysteem worden factoren zoals toegankelijkheid beoordeeld, maar ook de factoren zoals corruptie in het systeem, discriminatie door het systeem, alternatieve geschillenbeslechting, de duur van het proces en ongepaste inmenging van de overheid. 

Tekort aan rechters 
Van der Hilst, die ook dit jaar één van de respondenten was voor het World Justice Project, geeft aan dat er binnen het civiel systeem een aantal structurele problemen zijn, hoewel er in de loop der jaren het één en ander is verbeterd. Zo is er sprake van een snellere ingang bij de rechter in geval van een kort geding; verzoeken voor beslag worden sneller toegekend, en vonnissen zijn sneller beschikbaar. Het Hof van Justitie publiceert ook de vonnissen via haar website. Echter is het door de COVID crisis veelal niet mogelijk lijfelijk aanwezig te zijn in de rechtszaal. Stagiaires kunnen niet naar de zitting, wat een achterstand betekent in hun opleiding. 

Ook de ‘onredelijk lange duur van het proces’ wordt Suriname aangerekend op de Index. De afhandeling van rechtszaken duurt steeds langer, stelt van der Hilst. Er zijn meer rechters nodig om de veelheid van rechtszaken af te handelen. De wet geeft aan dat er maximaal 40 rechters mogen zijn in Suriname, maar door de groei van de samenleving en dus ook van het aantal rechtszaken is dit aantal niet meer valide. Alle sprekers waren het erover eens dat door de druk op het klein aantal rechters de kwaliteit van de rechtspraak achteruit kan gaan en processen te lang duren. De aanbeveling is dan ook te investeren in een initiële en een structurele rechtersopleiding en daardoor een constante aanwas van rechters te garanderen. 

Ineke de Miranda gaf aan dat de burger bewuster wordt van zijn rechten, en dus vaker naar de rechter gaat. Zij hield het publiek voor dat de CDR met projectfinanciering van EU twee verkorte opleidingen tot rechter zal aanbieden, en ook een project om schrijfjuristen op te leiden die binnen 15 maanden vonnissen zullen leren schrijven. De schrijfjuristen zijn tevens een kweekvijver voor toekomstige rechters. Het probleem is hiermee nog niet volledig opgelost, want ook het aantal griffiers en zittingszalen zal moeten toenemen gaf de Miranda aan.

Gerechtigheid en corruptie 
Advocaat Antoon Karg, ook één van de respondenten voor de Rule of Law Index, gaf aan dat Suriname voor wat gerechtigheid en corruptie betreft gepositioneerd staat in de buurt van landen zoals Kazachstan, Kosovo en Senegal gaf de spreker aan. Dit zijn landen met een recent verleden van interne oorlogen. Suriname staat ook op de onderste plaats als gekeken wordt naar de landen van de Caraïbische regio en Latijns Amerika. Dit is zorgelijk.

Karg gaf aan dat de corruptie bij de uitvoerende en wetgevende macht veel hoger is dan het gemiddelde dat gehanteerd wordt. Het is overigens ook opvallend dat volgens de Index de corruptie bij de wetgevende en de uitvoerende macht veel erger wordt geacht dan die bij de politie en leger en bij de rechterlijke macht. Karg noemde drie wetten die wat hem betreft nodig zijn om de rechtsstaat te versterken, naast de constitutionele wijzigingen en andere maatregelen die ter sprake kwamen, namelijk de Transitiewet die een ordelijk verloop van machtsoverdracht na een verkiezing regelt, de wet Dwangsom Bestuur, die de Overheid zal dwingen sneller te handelen als zij in het ongelijk is gesteld door de rechter, en de wet op het Enquêterecht voor zowel DNA als Districtsraden. Hij pleit hierbij dus ook voor het creëren van de mogelijkheid om getuigenverhoor op districtsniveau te doen. Voor de Miranda staat de Wet Openbaarheid van Bestuur hoog op de agenda. Voor Van der Hilst is absoluut prioriteit dat er een uitgewerkt insluitbeleid met duidelijke indicatoren van wat wordt verstaan onder een redelijk vermoeden van schuld en andere voorwaarden en een tuchtcollege/klachtenmechanisme voor het Openbaar Ministerie. Als aanvulling ziet Karg graag ook verschil in indicatoren voor wat redelijk/toepasselijk insluitbeleid bij een recidivist of first offender. 

Ook het functioneren van advocaten is aan de orde geweest. Zo pleit Van der Hilst voor strengere stage-eisen voor de advocatenopleiding. Een puntensysteem, permanente educatie en transparantie met betrekking tot de verdiencapaciteit van advocaten zijn door Karg aangedragen. 

maandag 7 december 2020

Panelleden brengen gekozen DC onder de aandacht tijdens Democratiemaand paneldiscussie

Je hebt decentralisatie nodig voor integraal beleid. Je hoort vaak in het parlement dat men praat over integraal beleid. Maar soms vraag ik me af: weten regeringen wel wat integraal beleid is? Omdat als je echt integraal beleid zou moeten doorvoeren, dan zou ik dat al moeten zien aan de taken die je duidelijk toebedeelt aan de bestuursorganen binnen districten. Aldus DNA-lid Patricia Etnel tijdens de paneldiscussie Decentralisatie: een stapje verder in onze democratie.

Onder grote online belangstelling is op woensdag 18 november de eerste officiële openbare activiteit van de Democratiemaand 2020 gehouden. Projekta organiseert de Democratiemaand sinds 2008, om op deze manier aandacht te vragen voor de thema’s democratie, rechtsstaat en mensenrechten. De gedachte is dat een sterke democratie vraagt om een voortdurend en nauwgezet werken aan de realisatie ervan. In een duurzame democratische cultuur kennen de burgers hun rechten en verantwoordelijkheden. En als niet iedereen deze kent, dan moet dit door middel van educatie en informatie worden verspreid.

Tijdens een paneldiscussie, waaraan mensen konden deelnemen via Zoom en Facebook live, gingen panelleden Patricia Etnel en Iris Gilliad dieper in op de rol die decentralisatie voor democratie speelt. Jennifer Simons die aanvankelijk ook op het programma stond, moest helaas verstek laten gaan. Sharda Ganga, directeur van Projekta en tevens moderator van de avond, las wel een statement voor die de oud DNA-voorzitter had voorbereid. Zij legde de nadruk op de noodzaak van goede wettelijke regelingen voor succesvolle decentralisatie en speciale aandacht voor o.a. de positie van het traditioneel gezag daarbinnen.


Gedecentraliseerde eenheidsgedachte

DNA-lid Patricia Etnel onderzoekt de bestuurlijke inrichting van de Republiek Suriname, en startte in dat kader haar presentatie met een stukje geschiedenis over de staatsvorm en de (oorspronkelijke) ideeën die daaraan ten grondslag liggen. Met het oog op de in de Grondwet (1987) geformuleerde gedecentraliseerde eenheidsgedachte, stelt ze de huidige taakverdelingen en machtsverhoudingen ter discussie.

Slide uit de presentatie van Patricia Etnel. 

Decentralisatie is geboren in de jaren ‘50 en het begrip districtscommissaris bestond ook al voor de onafhankelijkheid. Aangezien districten nooit echt betrokken zijn, maar de decentralisatiegedachte wel verankerd ligt in de Grondwet, plaatst Etnel vraagtekens bij de uitvoerende macht.Wanneer we kijken naar de uitvoering van onze Grondwet van 1987 met betrekking tot de uitvoerende macht, is dit of niet goed begrepen of is er opzet in de zaak?"

Etnel vindt dat wij niet alles klakkeloos hoeven over te nemen van andere landenWij kunnen ons eigen systeem ontwikkelen. Aan de hand van jouw historische ontwikkeling, aan de hand van jouw bevolkingspopulatie en de manier hoe je je land wil ontwikkelen, ga je je eigen systeem ontwikkelen.

De rol die decentralisatie zou moeten spelen in democratisering en het belang van burgerparticipatie dat hierbij essentieel is, komt niet tot volle wasdom omdat taken niet overgeheveld worden van centraal naar districts- of ressortniveau.

Deze taken hoeven niet opgenomen te worden in de wet regionale organen maar kunnen worden vastgelegd in een soort huishoudelijk reglement per district. Etnel benadrukte wel dat er sterke mensen voor nodig zijn en pleitte herhaaldelijk ervoor dat politieke partijen werk maken van de capaciteitsversterking van DR- en RR-leden. Ook is zij er geen voorstander van om decentralisatie toe te bedelen aan slechts één ministerie (in ons geval het ministerie van Regionale Ontwikkeling); alle ministeries zouden decentralisatie moeten bevorderen. 

De Grondwet is duidelijk over de verschillende bevoegdheden van de uitvoerende macht, maar die is niet vertaald naar de taakverdeling in de praktijk, zegt Etnel. Zij is stellig: de uitvoerende macht is niet de president en raad van ministers; het is de regering, de districten en de ressorten.


Decentralisatie en burgerparticipatie

Bestuurskundige Iris Gilliad besprak in haar presentatie het grote Decentralisatie-programma (DLGP), waarbinnen zij jarenlang verantwoordelijk was voor het vormgeven van burgerparticipatie. Ze ging met name in op twee manieren van burgerparticipatie: hoorzittingen en buurtcomités. Hoorzittingen zijn verplicht, want burgers moeten inspraak hebben. Maar ook hier sluit de praktijk niet aan op de theorie, aldus Gilliad. Sommige zaken mag een district zelfstandig uitvoeren, zoals het onderhouden van zandwegen, maar het budget en zeggenschap liggen bij de centrale overheid. Zaken die burgers aangeven, kan het districtsbestuur niet (zelfstandig) uitvoeren en omgekeerd wordt het districtsbestuur vaak genoeg verrast met de uitvoer van projecten door de centrale overheid, bijvoorbeeld ontwatering, waarvan de autonomie eigenlijk ligt bij het district.

Andere uitdagingen met betrekking tot decentralisatie liggen volgens Gilliad op het gebied van communicatie (tussen de hoorzittingen door wordt er niet gecommuniceerd met de burgers) en de coördinatie-capaciteit van de DR en RR.

Gilliad is het eens met Etnel dat de autonome taken van het districtsoverheden moeten worden vastgelegd en versterkt, maar voorziet wel een probleem met de overdracht: “mensen willen niet makkelijk macht afstoten.”


Actieve online participatie

Het onderwerp houdt mensen bezig, zoveel werd duidelijk uit de actieve participatie van de deelnemers in de chat. Zij stelden vragen over onder andere het disfunctioneren van districts- en ressortsraden, en (het ontbreken van) de link tussen districtsplannen en het meerjarenontwikkelingsplan (MOP).

Op de vraag of decentralisatie tot nu toe heeft bijgedragen aan de democratie, antwoordde Etnel dat wanneer ze kijk naar wat de uitkomst zou moeten zijn van de hoorzittingen, ze vindt dat er weinig tot niets is gedaan. “Het lijkt alsof we alleen werken aan lonen goedkeuren en niet aan ontwikkeling”.

Deelnemer Sheila Ketwaru, directeur van BFN, voegde hieraan toe: “Wanneer de begroting van het Districtsplan moet worden goedgekeurd en bekostigd op nationaal niveau dan is er geen sprake van decentralisatie.”

Ook de machtsverhouding tussen de districtscommissaris (DC) en de districtsraad werd ter discussie gesteld. Waarom is een DC het hoofd van de DR, als deze persoon niet gekozen is als DR-lid? Tot besluit las de moderator een statement voor van een van de deelnemers waarin de nadruk werd gelegd op zelfvoorzienendheid van de districten. “Hoe meer de districten zichzelf kunnen bedruipen, hoe meer we ze in staat kunnen stellen hun eigen wensen en behoeften vorm te geven. Decentralisatie moet echt vanuit de kracht van de lokale gemeenschap worden opgebouwd. Het zijn de lokale gemeenschappen die moeten fungeren als groeikernen anders neemt de overheid een voortrekkersrol die wordt ingevuld door ambtenaren terwijl de burgers uiteindelijk de invulling moeten geven aan sociaal economische ontwikkeling.”

Na ruim anderhalf uur kon de moderator niet anders dan de discussie afsluiten met de toezegging dat Projekta een aantal vervolgdiscussies zal organiseren. De eerste zal gaan over o.a grondenrechten, de positie van het traditioneel gezag en decentralisatie, ingegeven door zowel de vragen van het publiek, als de statement van de oud-DNA voorzitter.

dinsdag 10 november 2020

Jongeren spelen online met democratie

Hoe en waar kun je je stem laten horen? Welke rechten ken je? Wat is een democratie en wat is een dictatuur?

Op vrijdag 6 en zaterdag 7 werden deze vragen beantwoord door tientallen jongeren die deelnamen aan de online sessies Spelen met Democratie.

Jongeren leren op een interactieve manier over democratie en mensenrechten 
tijdens de Democratische Speeldag in Paramaribo (februari 2020).

Spelen met Democratie is een Twinning-project dat Projekta uitvoert samen met haar Nederlandse partner ‘ProDemos, huis voor democratie en rechtsstaat’. Het project is gestart in 2019 en het doel is om kinderen en jongeren op een laagdrempelige manier te leren over democratie, rechtsstaat en mensenrechten.

In 2019 zijn er trainingen gehouden om personen die met jongeren werken (waaronder gemeenschapswerkers en sportcoaches) uit te rusten met de juiste vaardigheden en hen bekend te maken met de speciaal voor Suriname ontwikkelde spelletjes. Ook zijn er drie Democratische Speeldagen georganiseerd, in Wanica, Paramaribo en Marowijne.

Door Covid-19 en de daarbij horende maatregelen, verplaatste Projekta de Democratische Speeldagen noodgedwongen naar de digitale ruimte. Via Zoom hebben de deelnemers meer geleerd over onder andere het verschil tussen democratie en dictatuur en de diverse manieren om je mening te laten horen en invloed uit te oefenen.

“Sommige manieren om mijn stem te laten horen waren nieuw voor mij. Ik heb ook geleerd dat het per situatie verschilt wat de handigste manier is om invloed uit te oefenen en ook dat je acties kunt combineren.”

Zij zijn ook aangemoedigd om niet zomaar je mening te geven, maar deze te onderbouwen met feiten.

“Bij de cases die gepresenteerd werden, zag ik direct welke een dictatuur zijn en welke een democratie. Maar toen ik moest aangeven met argumenten waarom ik dat vond, moest ik wel even goed nadenken.”

De training heeft de deelnemers niet alleen meer kennis opgeleverd, maar heeft hen ook gestimuleerd om op zoek te gaan naar meer informatie over de thema’s. Het prikkelen van hun nieuwsgierigheid en een onderzoekende, kritische houding is een van de doelen van Spelen met Democratie; dit doel is volgens Projekta met deze online sessies zeer zeker bereikt.

Het project wordt aanstaande vrijdag 13 november officieel afgesloten met een virtuele presentatie en de overhandiging van de Toolkit Spelen met Democratie aan de voorzitter van De Nationale Assemblée.

De online Democratische Speeldagen vallen binnen de Democratiemaand die traditiegetrouw georganiseerd wordt door Projekta in november. Meer informatie zal in aanloop naar de activiteiten te vinden zijn op deze blog en onze Facebook-pagina.

donderdag 15 februari 2018

Paneldiscussie: De effecten van kleinschaligheid op politiek en democratie in Suriname

Dit jaar vieren we een dubbeljubileum: Projekta bestaat 25 jaar, en het is 10 jaar sinds we de Democratiemaand initieerden. Dit herdenken we middels lezingen, openbare discussies, en andere activiteiten rond thema’s van democratie, mensenrechten, en gendergelijkheid; en de rol van Civil Society. In dit kader nodigen wij u graag uit voor een paneldiscussie over de effecten van kleinschaligheid op politiek en democratie in Suriname.

Inleider: Dr. Wouter Veenendaal 
Panelleden: Drs. August Boldewijn, Drs. Ine Apapoe en Jaya Faria Jarvis 
Datum: 26 februari 2018
Tijd: 19.00 uur (inloop: 18.30 uur)
Locatie: Lalla Rookh, gebouw 1 (Lalla Rookhweg #54)
(De toegang is vrij, maar registratie vooraf is verplicht. Registratie kan tot woensdag 21 februari via projekta.rsvp@gmail.com, per telefoon via 439925 of per Whatsapp +5978677022)

Update: de deadline voor registratie is inmiddels verstreken, echter zijn er nog enkele plekken beschikbaar. Wilt u er graag bij zijn, neemt u dan zo spoedig mogelijk contact met ons op. 

Dr. Veenendaal heeft onderzoek gedaan naar de effecten van kleinschaligheid op politieke competitie, politieke participatie, en de relaties tussen kiezers en gekozenen in  kleine landen (zgn. microstates) in verschillende regio’s van de wereld. Hieruit bleek dat ondanks belangrijke verschillen tussen kleine landen in het Caraïbisch gebied, Europa, Afrika, en de Grote Oceaan, de politiek in al deze landen bepaald wordt door informele, persoonlijke relaties en de afwezigheid van politieke ideologie. Dr. Veenendaal zal ook de eerste bevindingen presenteren van zijn huidig onderzoek naar de effecten van kleinschaligheid op politiek en democratie in Suriname. Na de inleiding zal een panel, bestaande uit o.a. Drs. August Boldewijn, Drs. Ine Apapoe en Jaya Faria Jarvis reageren op de presentatie van Dr. Veenendaal, waarna er een paneldiscussie volgt. 

Wouter Veenendaal is docent politicologie aan de Universiteit van Leiden. In 2014 won hij de Jaarprijs Politicologie van de Nederlandse Kring voor Wetenschap der Politiek met zijn proefschrift. Hij was verbonden als postdoctoraal onderzoeker aan het Koninklijk Instituut voor Taal, Land- en Volkenkunde (KITLV), waar hij in het kader van het project ‘Confronting Caribbean Challenges’, onderzoek deed naar de zes Nederlandse Caraïbische eilanden. Sinds 2017 werkt hij aan een door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) gesponsord project waarin hij onderzoekt waarom kleine staten politiek stabiel blijven ondanks de grotendeels persoonlijke en informele politiek. Voor dit project maakt hij een vergelijking tussen Malta, Suriname, Vanuatu en de Comoren.


maandag 11 december 2017

Dialoog is niet iets dat je even doet

Een eye opener vonden aanwezigen het Openbaar College ‘Dialoog – een waarheid’, welke Projekta organiseerde ter gelegenheid van het 10e jubileum van de Democratiemaand.

Gewoonlijk worden gedurende de hele maand november activiteiten gehouden, maar vanwege het jubileum zal Projekta, samen met haar partners in BINI (het Burgerinitiatief voor Participatie en Goed Bestuur) het komend jaar elke maand een thema belichten. Allemaal zaken die hete hangijzers zijn, zoals het onderwijs en milieu, of die hete hangijzers zouden moeten zijn, zoals moedersterfte, gaf Projekta aan.

De belangstelling voor het college was groot. De deelnemers waren van uiteenlopende aard: onderwijzers, personen werkzaam bij maatschappelijke organisaties en de private sector, studenten, de voorzitter van het Nationaal Jeugdparlement. Maar Humphrey Jeroe van het Comité Slachtoffers en Nabestaanden van Politiek Geweld, en Bisschop Karel Choennie gaven acte de presence.

Met de vraag “Wie denkt bij het lezen van de krant ‘waarom praten ze in hemelsnaam niet met elkaar’?” opende Sharda Ganga, directeur van Projekta, het college. “En als ze praten, waarom praten ze niet op een goede manier?”

Wat die goede manier van praten is en wanneer je het wel of geen dialoog kunt noemen, bleef een van de rode draden van de avond. Het woord wordt te pas en te onpas gebruikt – vaak ten onrechte, stelde Ganga. Wat men dialoog noemt is vaak een poging tot ‘bekering’ of is bedoeld om de ander buiten spel te plaatsen. ‘Bekering’ verwijst in dit geval naar gesprekken die enkel worden aangegaan om de ander te overtuigen van zijn ongelijk, en er dus geen sprake is van echte dialoog. Het buiten spel plaatsen van de ander gebeurt bijvoorbeeld door mensen uit te nodigen voor ‘dialoog’ maar tegelijkertijd aan te geven dat de uitnodiger zelf zal bepalen wat er met de uitkomsten zal gebeuren. Als je niet ingaat op de uitnodiging ben je in feite ‘buiten spel’ geplaatst, want dan wordt al gauw gezegd: ’maar toen we je uitnodigden kwam je niet’.

Het is ook geen dialoog als de uitnodiger van tevoren al bepaald heeft wat de uitkomst van de dialoog zal moeten zijn – een dialoog voor verzoening is bijvoorbeeld een contradictie. Want of er verzoening komt, zal moeten blijken uit de dialoog. Ook het in media of via andere podia bespreken van of spreken tot partijen waarmee men in ‘dialoog’ zegt te zijn, is een duidelijk teken dat er geen sprake kan zijn geweest van een echte dialoog.

Dialoog is immers in zijn basisvorm niets anders dan het voeren van een gesprek of gesprekken om samen op zoek te gaan naar de oorzaken van problemen en conflicten, en het vinden van gemeenschappelijke doelen en/of het bouwen aan een gemeenschappelijke visie voor de toekomst. Het is echter nimmer een alternatief voor juridische, wetgevende of administratieve processen.

Er zijn tientallen soorten van dialoogmodellen mogelijk, en het vergt tijd en deskundigheid om zorgvuldig na te gaan welk proces van toepassing is in een bepaalde situatie. De zorgvuldigheid waarmee met het proces moet worden omgegaan, zeker als er sprake is van een conflictsituatie, of een dreigende conflictsituatie, werd keer op keer benadrukt. Er zijn diverse valkuilen waarop een poging tot dialoog kan stranden, zelfs al bij het goed kunnen formuleren van het probleem dat men wilt onderzoeken middels dialoog kunnen er spanningen en misverstanden ontstaan, gaf de inleider aan. Dialoog is niet iets wat je even doet; elke stap telt, anders loop je het gevaar dat je meer kapot maakt dan dat je iets beter maakt.

Er is ook aandacht besteed aan de rol van de ‘convener’ – degene die anderen uitnodigt voor het gesprek. Voorop staat dat alleen een geloofwaardige convener enig succes zal kunnen hebben. Die geloofwaardigheid hangt samen met de mate van respect die de persoon heeft in de samenleving, maar vooral bij de andere partijen die aan tafel zouden moeten komen; en of er sprake is van bijvoorbeeld politieke aspiraties of van een overduidelijk persoonlijk belang. Als je merkt dat je niet geloofwaardig bent in de ogen van degene die je aan tafel wilt hebben, dan moet je jezelf de vraag stellen: wat is belangrijker, mijn ego of het groter doel van vreedzaam samenleven? De quote van Paolo Freire, ‘dialoog kan niet bestaan zonder nederigheid (of bescheidenheid)’ (dialogue cannot exist without humility) viel op zijn plaats.

Aan het eind van de avond gaven een aantal deelnemers aan graag nog dieper te willen ingaan op de materie. In het kader van het Jubileumjaar van de Democratiemaand zullen Projekta en haar BINI-partners daarom meerdere leermomenten organiseren.

maandag 27 februari 2017

Statistieken en de Sustainable Development Goals (SDG’s) in 2016

PROJEKTA, met bijdragen van het ABS

Het thema van de vorige Internationale Dag van de Democratie (15 september 2016) was: “Democracy and the 2030 Agenda for Sustainable Development”. Hier is de nadruk dus gelegd op de rol van de SDG’s (letterlijk: Duurzame Ontwikkelingsdoelen) bij het beleven van de democratie. In het bijzonder Doel 16: ‘Promote just, peaceful and inclusive societies’ (het bevorderen van rechtvaardige, vredige en inclusieve samenlevingen) benadrukt inclusieve en participatieve gemeenschappen en instituten. De oud-Secretaris-Generaal van de VN, Ban Ki-Moon, zei dat de implementatie van de doelen gesteund moet worden door een sterke en actieve civil society die de belangen van gemarginaliseerde groepen meeneemt.

Uitdagingen voor het ABS
Het Algemeen Bureau voor de Statistiek (ABS) is één van de instituten die in Suriname het realiseren van de SDG’s ondersteunt, door systematisch informatie te verzamelen en rapporten uit te brengen. Tijdens de Democratiemaand 2015, georganiseerd door Projekta en het Burgerinitiatief, gaf het ABS in een presentatie aan dat er diverse obstakels zijn voor het vervullen van deze rol: de beschikbaarheid van een baseline voor het maken van schattingen en meten van progressie, en het ontbreken van een nationaal gedragen definitie van armoede en wijze van berekening van de armoedegrens.

Hoewel burgers een belangrijke bron van informatie zijn, is gebleken dat veel huishoudens en bedrijven tot nu toe bang zijn om informatie over hun inkomsten door te geven. De angst dat het ABS deze informatie doorgeeft aan de Belastingendienst is nog steeds aanwezig. De bedrijven geven wel antwoord op de meeste vragen bij onderzoeken, maar niet op vragen over hun inkomsten.

Naast informatie van burgers en bedrijven, is ook data die aanwezig zijn bij de overheid, bedrijfsleven en NGO’s van belang voor ABS. Voor een aantal van de SDG-indicatoren is het ABS afhankelijk van administratieve gegevens van verschillende ministeries en instanties. Voorbeelden van administratieve data zijn de geboortes, sterftes en huwelijken die worden geregistreerd bij Centraal Bureau voor Burgerzaken. De overheid stelt de informatie beschikbaar aan het ABS, maar vaak zijn de data niet digitaal verwerkt (alleen hard copy beschikbaar) of beschikt een ministerie of instantie niet over een data-unit die verantwoordelijk is voor het updaten van informatie. Hetzelfde geldt voor de NGO’s die bijvoorbeeld informatie (kunnen) aanleveren over vrouwen- en kindermishandeling of over projecten in het binnenland.

Naast de cijfermatige gegevens die nodig zijn voor het kunnen uitrekenen van de SDG-indicatoren, zijn de gegevens over het beleid dat uitgevoerd wordt even belangrijk. Alleen dan kan er bepaald worden of ons land een doel wel of niet heeft gehaald.

De uitdagingen aangaan
Op 1 juni 2016 installeerde de Minister van Sociale Zaken en Volkshuisvesting (SoZaVo) de ‘Nationale Commissie Vaststelling Armoedegrens’ (NCVA). In de NCVA zitten vertegenwoordigers van het ABS, het Institute For Graduate Studies and Research (IGSR) en het Planbureau. Dhr. Jerrel Renfrum (waarnemend directeur van SoZaVo) is de voorzitter. In de laatste zes maanden van 2016 is er hard gewerkt aan methodes voor het bepalen van de armoedegrens. Het ABS heeft bijgedragen aan methoden voor het bepalen van de inkomensarmoede, het IGSR heeft gekeken naar Multidimensionele Armoede, terwijl het Planbureau en SoZaVo hebben gekeken naar het beleid. Het Rapport van de Commissie moet worden afgerond en ingediend bij de Sociaal Economische Raad (SER) en het Parlement ter advies en goedkeuring.

Startpunt voor de SDG-dataverzameling zijn de gegevens van de zesde Multiple Indicator Cluster Survey (MICS), een onderzoek uitgevoerd door SoZaVo in samenwerking met het Kinderfonds van de VN (Unicef). Het MICS-onderzoek zal informatie verzamelen over onder andere onderwijs, kinderarbeid, water en sanitair, de staat van de woonomgeving en de reproductieve gezondheid van vrouwen, mannen en kinderen.
Er is helaas onvoldoende informatie beschikbaar over de nieuwe SDG-indicatoren, vooral de milieugerelateerde indicatoren. Het ABS verwacht ook niet dat de nodige onderzoeken hiervoor op kort termijn uitgevoerd zullen kunnen worden, vanwege een gebrek aan financiële middelen bij de overheid. Om dit op te vangen, heeft het ABS tijdens de laatstgehouden Milieustatistieken Workshop van 27 juli 2016 de SDG-indicators gedeeld met stakeholders die milieudata aanleveren aan het ABS voor hun Milieustatistieken publicatie.

Om de uitdaging van het verzamelen van informatie van de overheid aan te gaan, pleit het ABS voor het instellen van een zogeheten SDG-commissie om informatie te verzamelen over beleidsprogramma’s van de overheidinstanties. De commissie zou de werkwijze kunnen volgen van de MDG-commissie van 2014. Daarbinnen waren er twee focal points per ministerie, en werd informatie over beleidsprogramma’s per ministerie gedeeld en eventueel verzameld. De Commissie analyseerde ook de voor- en nadelen van bepaalde programma’s, bracht uitdagingen in kaart, en brainstormde over oplossingen. Aan de hand van dit systeem is het Nationaal MDG Rapport van 2014 samen met het  National Instituut voor Milieu en Ontwikkeling (NIMOS), het Ministerie van Buitenlandse zaken (BUZA) en het Planbureau geschreven. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is de verantwoordelijke instantie om deze commissie weer te installeren.

Informatie, democratie en ontwikkeling
Indien informatie niet op een adequate wijze wordt verzameld en opgeslagen, met een duidelijk doel voor ogen, glipt het als los zand door onze vingers. Als het doel is ‘goede kwaliteit onderwijs voor een ieder’, dan moet informatie worden vastgelegd over o.a. inschrijvingen, afschrijvingen, mutaties, overgangspercentages, keuze van vervolgonderwijs en de gehanteerde procedures. Ook is het belangrijk om te weten hoeveel middelen zijn ingezet. Op basis hiervan kan de overheid haar beleid aanscherpen.

Adequate informatiesystemen stellen overheid, bedrijven en burgers in staat om na te gaan als gestelde ontwikkelings- en beleidsdoelen haalbaar zijn, of middelen effectief en efficiënt zijn ingezet en of het gewenst resultaat wordt bereikt.

Goede en toegankelijke informatiesystemen vergroten ook het vertrouwen in bedrijven, NGO’s en de overheid. Door geen informatie te delen uit vrees wordt een cultuur van wantrouwen in stand gehouden. Dit verzwakt de instituten die de ontwikkelingen van het land moeten uitzetten en monitoren.

In november 2016 organiseerde Projekta in samenwerking met het Burgerinitiatief voor Participatie en Goed Bestuur (BINI) voor de 9e keer de Democratiemaand. Deze editie was gericht op het bevorderen van kritisch democratisch burgerschap, onder het motto: ‘Kritische Burgers: Rechten en Verantwoordelijkheden’.
Net als voorgaande jaren heeft Projekta openbare activiteiten georganiseerd om een breed publiek te informeren over diverse democratische onderwerpen; dit keer middels een serie mini-seminars en mini-masterclasses met als kernthema’s: mensenrechten, financieel-economisch beleid en goed bestuur.
Sinds 2009 brengt Projekta aan het slot van de Democratiemaand ook de State of our Democracy-nieuwsbrief uit. Vanwege organisatorische omstandigheden is de publicatie van de nieuwsbrief niet gerealiseerd tijdens de Democratiemaand. De inhoud van de nieuwsbrief vinden wij echter te belangrijk om niet te delen met het publiek. Daarom publiceren wij de artikelen uit de nieuwsbrief alsnog. 

vrijdag 24 februari 2017

Wordt 2017 het jaar van bestuurlijke transparantie en rekenschap?

De President heeft eind september 2016 tijdens zijn Jaarrede over het beleid in het Dienstjaar 2017 wederom de aanname van de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB) genoemd.  Dit als voorbeeld van te ontwikkelen nieuwe wetgeving of aan te passen oude wetgeving voor begeleiding en ondersteuning van de ontwikkelingen in 2017.  Als dit voornemen wordt gerealiseerd, dan gaat een lang gekoesterde wens van Projekta in vervulling.

Het ontbreken van een Wet Openbaarheid van Bestuur is in diverse edities van de State of Our Democracy nieuwsbrief aan de orde geweest. In de editie van 2014 presenteerde Fayaz Sharman een update van zijn onderzoek van 2012 over de staat van openheid van overheidsinformatie in Suriname. Zijn belangrijkste conclusie was dat er tussen 2012 en 2014 helaas bitter weinig was veranderd aan de slechte toegang tot overheidsinformatie. Het feit dat er een Wetsontwerp is voor Openbaarheid van Bestuur, en een Commissievergadering is geweest over de Anti-corruptiewet, noemde hij een belangrijke stap in de goede richting. “Nu nog de behandeling en de aanname”, was zijn slotopmerking.
Ook in de State of Our Democracy nieuwsbrief van 2015 is het ontbreken van de WoB opnieuw aan de orde geweest. In deze editie is naast een opsomming van de basisprincipes voor een Wet Openbaarheid van Bestuur ook een lijstje opgenomen van zaken die burgers graag nader onderzocht zouden willen zien, en/of diensten en instellingen die volgens hun doorgelicht zouden moeten worden.

Transparantie en Rekenschap
Sinds het onderzoek van Fayaz Sharman in 2012, en de uitspraak van de President in september 2016, laat de behandeling en aanname van de Wet Openbaarheid van Bestuur nog op zich wachten. Samen met de Wet op Jaarrekeningen en de Anticorruptiewet, zorgen deze wetten voor twee belangrijke elementen van Goed Bestuur, namelijk Transparantie en Rekenschap.
Goed Bestuur kan simpelweg gedefinieerd worden als het proces van besturen: van besluiten nemen, uitvoering en verantwoording afleggen. Transparantie en rekenschap zijn wederzijds van elkaar afhankelijk en versterken elkaar. Tezamen stellen ze burgers in staat om een stem te hebben in besluitvorming en om besluitnemers ter verantwoording te roepen.   
Transparantie heeft te maken met het hoe en waarom van besluiten. Publieke ambtsdragers en anderen moeten voorspelbare, en begrijpelijke besluiten nemen. De informatie naar de burgers toe moet relevant, toegankelijk, op tijd en accuraat zijn. Bij rekenschap gaat het om de verantwoording: het waarom van besluiten, wat zijn de gevolgen, en  hoe is een besluit genomen. Als er sprake is van rekenschap nemen publieke ambtsdragers (en bedrijven) verantwoordelijkheid voor hun daden. Schadeloosstelling /sancties zijn het gevolg wanneer rechten en verplichtingen niet worden nagekomen.  

Openbaarheid van Bestuur in tijden van financiële crisis
In 2016 is steeds duidelijker geworden dat ons land in een financiële crisis verkeert. Echter, het ontbreekt aan betrouwbare informatie over hoe groot deze crisis werkelijk is. Burgers zijn onvoldoende geïnformeerd over de reikwijdte van de financiële crisis door een gebrek aan transparantie en rekenschap. In tijden van crisis, waarbij de overheid het vertrouwen en de medewerking van burgers nodig heeft om de economie te stabiliseren, zijn transparantie en rekenschap van eminent belang. Als burgers onvoldoende informatie hebben over de reikwijdte van de crisis zullen ze van het slechtste uitgaan, en beslissingen nemen die een mogelijke grotere druk leggen op de verzwakte economie.   
Onderzoek over de hele wereld heeft aangetoond dat het Recht op Informatie het beste te verankeren is in een wet. Een wet, zoals de voorgestelde Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB), zorgt ervoor dat de burgerij inzage heeft in het overheidshandelen en daardoor effectief en efficiënt kan deelnemen aan overheidsbesluitvorming, en de overheid ter verantwoording kan roepen (waakhond-functie).
"In the face of doubt, openness prevails," is een uitspraak van Barack Obama in 2009 bij de aankondiging van het ontwikkelen van aanvullende regelgeving bij aanvragen van overheidsinformatie.   

Wet Openbaarheid van Bestuur in het Caraibisch gebied
Van de 20 landen in het Caraibisch gebied hebben acht een WoB (Belize, Trinidad & Tobago, Jamaica, St. Vincent, Antigua, Cayman Islands, Bermuda en Guyana). Vijf landen hebben een conceptwet (Bahamas, Barbados, Grenada, St. Kitts en St. Lucia). In maar zes landen ontbreekt nog elk openbaar spoor van  wetgeving: Montserrat, Dominica, Haïti, Turks and Caicos, Anguilla, British Virgin Islands, en Suriname.

In november 2016 organiseerde Projekta in samenwerking met het Burgerinitiatief voor Participatie en Goed Bestuur (BINI) voor de 9e keer de Democratiemaand. Deze editie was gericht op het bevorderen van kritisch democratisch burgerschap, onder het motto: ‘Kritische Burgers: Rechten en Verantwoordelijkheden’.
Net als voorgaande jaren heeft Projekta openbare activiteiten georganiseerd om een breed publiek te informeren over diverse democratische onderwerpen; dit keer middels een serie mini-seminars en mini-masterclasses met als kernthema’s: mensenrechten, financieel-economisch beleid en goed bestuur.
Sinds 2009 brengt Projekta aan het slot van de Democratiemaand ook de State of our Democracy-nieuwsbrief uit. Vanwege organisatorische omstandigheden is de publicatie van de nieuwsbrief niet gerealiseerd tijdens de Democratiemaand. De inhoud van de nieuwsbrief vinden wij echter te belangrijk om niet te delen met het publiek. Daarom publiceren wij de artikelen uit de nieuwsbrief alsnog. 

dinsdag 21 februari 2017

Grote dromen en ons milieu

Met bijdragen van: Rudi van Kanten, Lisa Best, Nancy del Prado

Sinds het aantreden van de Regering in 2015, zijn er diverse grootse plannen aangekondigd die veelal met geleend geld moeten worden uitgevoerd: het opzetten van ‘mammoet’ rijstbedrijven, het exponentieel uitbreiden van de veestapel, grootschalige oliepalmteelt, grootschalige cacaoteelt en -verwerking, het herstarten van de bauxiet-aluinaarde industrie, om er een paar te noemen.

De Milieu-groep van het Burgerinitiatief voor Participatie en Goed Bestuur (BINI) maakt zich zorgen om de potentiële gevolgen voor ons milieu, als deze plannen ondoordacht worden uitgevoerd.
Het is een historische en wereldwijde trend dat in tijden van crisis het korte-termijn denken de boventoon voert en duurzame ontwikkeling en ecologische verantwoordelijkheid (aandacht voor de natuur) ver naar beneden zakken op de agenda, of zelfs helemaal verdwijnen. Projecten voor duurzame energie worden dan zonder pardon stopgezet; denk hierbij bijvoorbeeld aan het suikerriet-biofuel project van Staatsolie. 

Overheden willen zo snel en zo veel mogelijk inkomsten genereren; de natuurlijke hulpbronnen van een land worden dan al gauw gezien als de snelste en makkelijkste optie. Op de lange duur werkt dit vaak juist averechts: onze economie en het natuurlijk milieu zijn onlosmakelijk verbonden aan elkaar. Door niet-duurzaam te werken, loopt het land veel kansen mis, nu en in de toekomst, en blijft het risico bestaan dat de huidige problematische economische situatie zal voortduren.

Zoveel gevaren
Bij het bekijken van de grote voornemens van de Regering en het beleid van de decennia ervoor, is te merken dat er geen systematische of alomvattende benadering voor het waarborgen van het milieu is.  Er zijn geen vaste en consistent toegepaste standaarden voor ESIA’s (environmental and social impact assessments) voordat projecten starten. Veelal wordt de link met het milieu alleen gemaakt wanneer er een duidelijk verband is met bijvoorbeeld de menselijke gezondheid of kostenbesparing, zoals het geval is met kwikgebruik bij de goudwinning of bescherming tegen zeespiegelstijging. In de plannen voor goudmijnbouw wordt ook de nadruk gelegd op de gezondheidseffecten van kwik, terwijl er ook milieu-effecten zijn van de goudwinning: vervuiling van kreek- en rivierwater met gronddeeltjes, verstoring van het ecosysteem, creëeren van het empty forest syndroom (verarmd bos met minder boomsoorten en minder dieren), en het creëeren van meren met stilstaand water.

De projecten die nu worden genoemd zijn niet innovatief, maar veelal een kopie van initiatieven die meerdere malen zijn genomen in de laatste decennia, met wisselend succes, zoals grootschalige rijstbouw en grootschalige bauxietwinning en –verwerking. Een initiatief zoals de grootschalige cassave-verwerking is aangekondigd zonder dat er een diepgaande evaluatie is gepleegd van het falen van het eerdere cassave-verwerkingsinitiatief. Er is ook onvoldoende aandacht voor lokale economische ontwikkeling en het toeristisch perspectief. Een ander gevaar van het ondoordacht werken is namelijk dat er onnodig natuurlijke gebieden worden verpest die van grote natuurlijke waarde zijn of misschien op een andere, duurzamere manier van commerciële waarde zijn, bijvoorbeeld omdat zij bosbijproducten leveren of aantrekkelijk zijn voor toeristen.

Bij het doornemen van de beleidsvoornemens is kan tevens worden geconstateerd dat er voor veel activiteiten grote stukken grond beschikbaar moeten zijn: cacaoplantages, olieplantages, rijstproductie, veeteelt, nieuwe bauxietmijnen, etcetera. Hoewel er een groot oppervlakte aan landbouwgrond in principe nog beschikbaar is in Suriname, zal het bijna onmogelijk zijn om deze effectief te benutten zonder een goede ruimtelijke planning en ordening. Veel van dit areaal is vanwege verkavelingen en boedelproblemen gefragmenteerd. Daarnaast liggen veel terreinen in of dichtbij de woongemeenschappen van inheemsen en tribale volkeren, wiens recht op collectief grondbezit nog steeds niet voldoende is erkend door de Staat Suriname.

Verder zullen er miljoenen (veelal geleende) Surinaamse dollars moeten worden geïnvesteerd in nieuwe en gerenoveerde infrastructuur, om de gronden toegangelijk en bruikbaar te maken. In het geval van oliepalm, is het bovendien onduidelijk wat er zal gebeuren met het hout dat wordt verwijderd bij de ontbossing van het gebied; het bedrijf dat de investering zal doen, staat namelijk bekend als een houtkapbedrijf, en geen oliepalm-teler.

Investeer ook in wetgeving
Als belangrijkste prioriteit geldt het aanpassen en/of aannemen van een aantal wetten: de Milieuwet, de Afvalstoffenwet, de wet voor Geïntegreerd Kustbeheer, de Natuurbeschermingswet, de Jachtwet en de Waterwetten. De aanpassing van bepaalde van deze wetten is al vijftien jaar aan de gang, terwijl in de tussentijd wel enorme investeringen worden gedaan.

De belangrijkste van deze wetten is de Milieuwet, welke samen moet gaan met een duidelijk gecoördineerd langtermijn Milieubeleid dat verder gaat dan de coalitie die op dat moment aan de macht is. In een Milieuwet zouden er bijvoorbeeld eenduidige regels kunnen worden gesteld over wat er moet gebeuren met uitgemijnde gebieden. Er zijn nu twee multinationals die samen langer dan 100 jaar veel geld hebben verdiend, en intussen vertrokken zijn, zonder dat het duidelijk is wie wat moet doen met de uitgemijnde gebieden.

Om de wetgeving te implementeren zijn natuurlijk sterke instituten nodig, met deskundig personeel en voldoende middelen. Daarnaast is het belangrijk dat er wordt gewerkt aan voorlichting en educatie, en dat er meer aandacht komt voor milieuverantwoord ondernemen.
Tot slot: als zelfs een fractie van de mega-investeringen wordt besteed aan het versterken van natuur(gerelateerde) instituten, wetgeving, menselijk kapitaal en (modernisering van) controlecapaciteit, dan zijn de positieve effecten nog na jaren voelbaar.

In november 2016 organiseerde Projekta in samenwerking met het Burgerinitiatief voor Participatie en Goed Bestuur (BINI) voor de 9e keer de Democratiemaand. Deze editie was gericht op het bevorderen van kritisch democratisch burgerschap, onder het motto: ‘Kritische Burgers: Rechten en Verantwoordelijkheden’.
Net als voorgaande jaren heeft Projekta openbare activiteiten georganiseerd om een breed publiek te informeren over diverse democratische onderwerpen; dit keer middels een serie mini-seminars en mini-masterclasses met als kernthema’s: mensenrechten, financieel-economisch beleid en goed bestuur.
Sinds 2009? brengt Projekta aan het slot van de Democratiemaand ook de State of our Democracy-nieuwsbrief uit. Vanwege organisatorische omstandigheden is de publicatie van de nieuwsbrief niet gerealiseerd tijdens de Democratiemaand. De inhoud van de nieuwsbrief vinden wij echter te belangrijk om niet te delen met het publiek. Daarom publiceren wij de artikelen uit de nieuwsbrief alsnog.