donderdag 4 december 2014

Zoveel “kwesties”: overheidsinformatie nog steeds weinig toegankelijk

(Afkomstig uit de State of Democracy Nieuwsbrief 2014. Voor de volledige nieuwsbrief, klik hier)

Hoe het er in Suriname voor staat met openheid van overheidsinformatie, was het onderwerp van een onderzoek dat Fayaz Sharman deed. Hij rondde in 2012 hiermee succesvol zijn studie ‘Master in Public Administration’ af. Voor de nieuwsbrief keek hij opnieuw naar de stand van zaken.

Achtergrond
Zowel in het Verdrag voor Burger en Politieke Rechten (BUPO-verdrag) als in het Amerikaans Verdrag voor de Rechten van de Mens (AVRM) is benadrukt dat het recht op toegang tot overheidsinformatie essentieel is voor de uitoefening van andere mensenrechten, waaronder het recht op vrije meningsuiting. Suriname heeft deze internationale verdragen getekend, waardoor het land ook zichzelf verplicht om de bepalingen van de verdragen uit te voeren. Onvoldoende toegang tot overheidsinformatie kan gemakkelijk leiden tot wantrouwen onder het volk. Overheden maken informatie tegenwoordig daarom steeds toegankelijker voor het publiek, omdat zij beseffen dat zij met goed bestuur ‘overheidsziektes’ zoals corruptie kunnen bestrijden.

Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB)
Onderzoek over de hele wereld heeft aangetoond dat het Recht op Informatie het beste te verankeren is in een wet. Een wet, zoals de voorgestelde Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB), zorgt ervoor dat de burgerij inzage heeft in het overheidshandelen en daardoor effectief en efficiënt kan deelnemen aan overheidsbesluitvorming, en de overheid ter verantwoording kan roepen (waakhond-functie). Een uitgangspunt bij het recht op informatie is dat overheidsinformatie in principe altijd openbaar behoort te zijn, tenzij in de WOB zelf of andere wetgeving is vastgelegd dat de gevraagde informatie ongeschikt is om openbaar te maken, bijvoorbeeld in verband met de privacy van burgers of de nationale veiligheid.

Een WOB verplicht bestuursorganen in de eerste plaats om zelf informatie te verstrekken bij de uitvoering van hun taken, door bijvoorbeeld jaarrapporten ter beschikking te stellen, zodat burgers zelf een onderbouwd oordeel kunnen vellen over onder andere de uitvoering van beleidsmaatregelen. Ook regelt de WOB de ‘reactieve informatievoorziening’: burgers moeten informatie kunnen opvragen en krijgen zonder al te veel hordes.

Wetgeving Suriname
De regering van Suriname heeft in haar ontwikkelingsplan 2012-2016 benadrukt waarom zij de transparantie over het regeersysteem zal vergroten. In artikel 158 van de Grondwet van Suriname staat namelijk: ‘een ieder heeft het recht om door de organen van de overheidsadministratie geïnformeerd te worden over de voortgang in de behandeling van zaken waar hij direct belang bij heeft en omtrent eindbeslissingen, met betrekking tot hem genomen’.

In Artikel 157, sectie 3, is aangegeven dat de overheid middels zogeheten uitvoeringswetten de administratieve procedures moet regelen voor toegang tot informatie en deelname aan besluitvorming. Deze wetten zijn helaas nog niet tot stand gekomen.

Het Ministerie van Binnenlandse Zaken heeft wel een wetsontwerp voor een WOB gemaakt. Dat ontwerp ligt nu (in november 2014) bij de Staatsraad ter behandeling, en moet daarna nog haar weg naar De Nationale Assemblée vinden. Dit volgens informatie van dhr. J. Joemanbaks, wetgevingsjurist op het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Een andere zeer belangrijke wet, die ook deels de toegang tot informatie regelt, is de Anticorruptiewet. Er is hiervoor een wetsontwerp ingediend bij De Assemblée op 24 januari 2014[1], maar deze is nog niet behandeld in een openbare vergadering. Op 12 maart 2014 is het wetsontwerp wel besproken in Commissieverband. Anticorruptie wetgeving is een van de mechanismen om transparantie (openbaarheid) en accountability te helpen waarborgen. Door deze wet kan men dus strafbaar gesteld worden bij het "nalaten" van het nemen van maatregelen ter waarborging van de transparantie en accountability.
De Surinaamse wetgeving is dus nog inadequaat wat dit aspect betreft, en moet worden hervormd.

Behoefte aan informatie
Ik heb tijdens mijn onderzoek in 2012 diverse groepen geïnterviewd die te maken hebben met de toegang tot overheidsinformatie, zoals assembleeleden, overheidsfunctionarissen van verschillende ministeries, NGO’s en ook de Surinaamse Vereniging van Journalisten. Zij vonden allemaal dat in elk geval de volgende categorieën van informatie door de overheid openbaar gemaakt moeten worden:
  1. Financiële stukken van overheidsdepartementen, staatsbedrijven, overeenkomsten over openbare werken, informatie over domeingronden, en andere administratieve procedures van overheidsbesluiten.
  2. Openbare aanbestedingen voor de bouw van infrastructuur zoals wegen, bruggen en gebouwen.
  3. Verduidelijking van overheidsbesluiten, vooral die een directe invloed hebben op het dagelijks leven van het publiek.
  4. Overheidssalarissen, inclusief die van de rechterlijke macht, de regeringsleden en de salarissen in door de Staat gesubsidieerde entiteiten (staatsbedrijven, parastatalen, raden, autoriteiten en commissies).
  5. Verlenen van overheidsdiensten, zoals vergunningen, concessies, domeingronduitgiften, subsidies, leningen, toewijzing van buitenlandse grants (financieel/materieel), regelen van afzetmarkten van ambassades en participatie van regeerders in stichtingen en NV’s.
In november 2014 sprak ik opnieuw met enkele leden van het Parlement. Geconcludeerd kan worden dat er nog veel teveel ‘geheimzinnigheid’ bestaat over zaken die het dagelijkse leven van burgers beïnvloeden. Zo werd steeds weer benadrukt dat de overheid bijvoorbeeld geen informatie uit zichzelf publiceert, ook niet tijdig reageert of helemaal niet ingaat op vragen om informatie van het publiek.

Een WOB was voor deze DNA-leden een goed hulpmiddel geweest bij diverse zaken die de afgelopen jaren hebben gespeeld. In een gesprek met dhr. Carl Breeveld (DNA-lid) zijn de voorbeelden genoemd van ex-onderminister van Regionale Ontwikkeling, Mahender Gopie, die 86.000 hectaren aan houtkapconcessies zou hebben gehad, en van de ex-Minister van Openbare Werken, Ramon Abrahams, die onder vuur kwam te staan na vermoedelijk onderhandse gunningen en dure verbouwingen op het Ministerie. Bij deze twee zaken is er na hun aftreden geen onderzoek ingesteld noch heeft het publiek openheid van zaken gekregen. In het algemeen komt er ook geen onderzoek – laat staan een opgave van vermogen – van onder andere ontslagen ministers en directeuren van staatsbedrijven.

Andere concrete cases die werden genoemd in het gesprek zijn:
  • Kwestie van de aankoop van gepansterde auto’s door het Kabinet van de President. De gevraagde opheldering over onder andere de prijs is nooit gegeven.
  • Kwestie van de aanleg van een spoorbaan tussen Paramaribo en Para. Breeveld geeft aan dat prijzen zijn opgesteld zonder het Parlement van tevoren te raadplegen, terwijl het Parlement het recht heeft dit te weten.
  • Kwestie van de ex-EBS Directeur Kenneth Vaseur. Daarbij werd informatie over onder andere het arbeidsconflict in het bedrijf gevraagd, maar nooit aangeleverd.
  • Kwestie van het inkopen van voeding voor de naschoolse opvang, waarbij keukens zouden toebehoren aan DNA-leden en anderen. Ook hier is geen opheldering verstrekt.
Op basis van het bovenstaande mag geconcludeerd worden dat er bitter weinig is veranderd sinds 2012, het jaar waarin de studie is verricht. Het feit dat er een wetsontwerp is voor Openbaarheid van Bestuur, en een Commissievergadering is geweest over de Anti-corruptiewet, is een belangrijke stap in de goede richting. Nu nog de behandeling en de aanname. -

Naar aanleiding van dit artikel vroegen wij aan twee journalisten wat zij zouden onderzoeken als er een WOB zou zijn. Hun bijdrage kunt u hier lezen. 


[1] De Anticorruptiewet (Houdende regels ter preventie en bestrijding van corruptie en nadere wijziging van het Wetboek van Strafrecht (G.B. 1911 no.1, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2012 no 70).

Voor de volledige nieuwsbrief klik hier

Wat kosten verkiezingen?

(Afkomstig uit de State of Democracy Nieuwsbrief 2014. Voor de volledige nieuwsbrief, klik hier)

Op de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken is srd 85 miljoen gereserveerd voor de verkiezingen van mei 2015. De kosten voor de Presidentsverkiezing, en benoeming en installatie van het nieuwe parlement, de nieuwe President en Vice President zijn hier nog niet bij opgeteld.

Volgens de Ware Tijd (6 oktober 2014) is dit een verdubbeling van de kosten van 2010, die 40 miljoen hebben gekost: “met een kiezersaantal van 324.500 betekende dit gemiddeld per kiezer SRD 123”.
In 2015 zal het aantal kiezers ongeveer 350.000 zijn, hetgeen betekent dat elke kiesgerechtigde de Staat gemiddeld ongeveer srd 242 zal kosten.

Parlementsvoorzitter Jennifer Geerlings-Simons zegt: "Verkiezingen zijn inderdaad relatief duur, zoals veel dingen in Suriname, mede door de zeer afgelegen gebieden en lage bevolkingsdichtheid van veel gebieden".

In hoeverre zijn deze omstandigheden bepalend als het gaat om de kosten van verkiezingen? Om dit te onderzoeken, doken we de literatuur in.

Er een verschil in kosten tussen verkiezingen in stabiele democratieën, landen in transitie en landen met speciale vredesoperaties. Hoe langer een land een vreedzame meerpartijen democratie is, hoe goedkoper de verkiezingen kunnen zijn. Zelfs een korte onderbreking in verkiezingsroutines, door bijvoorbeeld een periode van militaire overname, heeft hier geen invloed op.

In fragiele staten zijn het vooral de “integrity costs” die aantikken – dit zijn kosten voor het creëren van veilige, vrije en eerlijke verkiezingen, met name door het vergroten van de veiligheid van zowel de kiezer als de stembiljetten. Hoe democratischer een land wordt, hoe lager die kosten. Een land waar de verkiezingsinfrastructuur van nul af aan opgebouwd moet worden (bijvoorbeeld Afghanistan), zal vooral ook veel geld kwijt zijn aan het creëren van een infrastructuur en het voorlichten en onderwijzen van het electoraat.
De laagste kosten hebben landen met lange electorale ervaring: in de VS en de meeste West Europese landen kosten verkiezingen gemiddeld 1 tot 3 U$ per kiezer. Brazilië is iets meer dan 2,30 U$ kwijt per kiezer, India 1,0 U$ en in het uitgestrekte Australie is dat 3,20 U$.

Waaruit bestaan de kosten voor verkiezingen?
Internationaal wordt ervan uitgegaan dat de grootste uitgaven worden besteed aan registratie van stemgerechtigden, grensbepalingen van kiesdistricten, de verkiezingsdag zelf, tellen en bekendmaken van de resultaten, het beslechten van gerschillen, informatie en educatie van kiezers, campagnevoering, en toezicht houden door vertegenwoordigers van de partijen en de binnenlandse of internationale waarnemers.

Analyse verkiezingskosten
In 2004 deed het Centre for Transitional and Post-Conflict Governance, in samenwerking met de UNDP een grootschalig onderzoek naar de kosten van verkiezingen – het CORE project. Het onderzoek richtte zich op de Election Management Bodies (EMBs). De taken van EMB’s kunnen erg verschillen per land. Naast het administratief beheer van verkiezingen kunnen EMB’s belast zijn met bijvoorbeeld civic education en rapporteren over de financiering van partijen.

De studie gaat uit van vier aspecten voor analyse van verkiezingskosten (Election Cost/Profile ratios):

  • Verhouding tussen het aantal personen van de Election Management Body en de kiesgerechtigeden
  • De verhouding tussen het aantal stembureaumedewerkers tov kiesgerechtigden
  • Gemiddelde kosten per kiesgerechtigden
  •  Capitalisatie indicator

Suriname erg duur


Voor landen met minder dan een miljoen kiesgerechtigden komt men uit op een gemiddelde van ongeveer 6000 kiezers per staflid van het EMB – in Suriname zou de totale staf van een EMB dus in de orde van 55 personen moeten zijn. Uiteraard is er een verschil in de taken van EMB’s – er wordt gesuggereerd dat het kostenefficiënter is als EMB’s een “full portfolio of electoral responsibilities” hebben.

De verhouding tussen het aantal stembureaumedewerkers en aantal kiezers lijkt niet afhankelijk te zijn van de grootte van het grondgebied. Het grootste aantal (onderzochte) landen gaat uit van tussen de 100 en 200 kiezers per stembureaumedewerker. Als we uitgaan van een verhouding van 150 kiezers per medewerker, zouden in Suriname dus ongeveer 2400 stembureaumedewerkers nodig zijn. Het rapport geeft aan: als de samenstelling van een stembureau met zelfs maar 1 medewerker verminderd wordt, betekent dat al een behoorlijke besparing van kosten.

De verhouding tussen het electoraal budget en het aantal geregistreerde kiezers is gemiddeld tussen de  U$1 en U$ 5 per kiezer. De grootte van het electoraat lijkt weinig invloed te hebben op het bedrag. Het allerhoogste bedrag dat men tegenkwam was ongeveer U$ 27 per kiezer. Suriname steekt daar wel erg ruim boven uit. Alles wat boven de U$ 5 per stemgerechtigde kost, zou men nader moeten onderzoeken, zeggen de onderzoekers.

De capitalization indicator meet institutionele capaciteit op basis van investeringen in niet-verkiezingsjaren. Men kijkt naar het gemiddelde budget per kiesgerechtigde dat in niet-verkiezingsjaren voor een EMB ter beschikking is. Valt dat bedrag beneden een bepaald niveau (tussen de U$ 1 en U$ 2.47), dan is de kans groot dat dit negatieve gevolgen heeft voor de capaciteit. Beperkte capaciteit is op haar beurt een directe bedreiging voor een goede verloop van verkiezingen.

Wil je echter precies weten wat verkiezingen kosten, dan zou je moeten kijken naar de totale kosten- ongeacht wie die kosten maakt, of die nu de partijen zijn of de Staat of de Internationale Gemeenschap.

Meer weten?
http://www.gsdrc.org/docs/open/po50.pdf voor het volledig rapport van CORE.
www.aceproject.org geeft een uitgebreid overzicht van alles wat met de organisatie van verkiezingen te maken heeft.
http://reliefweb.int/sites/reliefweb.int/files/resources/HDQ1070.pdf

Voor de volledige nieuwsbrief klik hier

Verkiezingen: waarom goedkoop als het duur kan?

(Afkomstig uit de State of Democracy Nieuwsbrief 2014. Voor de volledige nieuwsbrief, klik hier)

Bij de launch van de Democratiemaand op 10 november j.l., presenteerde Hans Breeveld enkele simpele feiten die de zaal naar adem deden snakken: de kosten van algemene verkiezingen in een aantal landen. In 1996 kosten algemene verkiezingen in Australie, land van uitgestrekte lege vlakten en zeer verspreide bevolking tussen de U$ 5 en 6 per kiezer (hierbij is inbegrepen de financiering van politieke partijen door de Staat), in Afganistan waar men nog in een halve oorlog verkeerde, kostte de verkiezing per kiezer U$ 15 (daar waren ook de zware investeringen in veiligheid bij inbegrepen). In Suriname kostten de verkiezingen van dat jaar ongeveer US$ 18 per kiezer. Er was bij ons geen oorlog op dat moment. De verkiezingen van volgend jaar zullen de belastingbetaler minimaal srd 85 miljoen in totaal kosten, meer dan een verdubbeling ten opzichte van 2010.

Vanwaar de stijging in kosten, en waarom kosten verkiezingen hier zoveel meer dan in andere landen? “Dat kan ik niet met zekerheid zeggen”, antwoordt Breeveld. Immers, hij heeft geen inzage in de onderliggende stukken van de begroting, maar gaat slechts af op wat er in ‘s lands begroting is opgebracht voor de organisatie van de verkiezingen. Hij kan ook de uitgaven van de vorige verkiezing niet bestuderen om na te gaan waar de grootste kosten zitten, die informatie is niet ter beschikking.
Uiteraard zijn de kosten eigenlijk nog hoger: in dit bedrag zijn wellicht niet de doorlopende salarissen van al de ambtenaren vervat die zich al lange tijd bezig houden met de verkiezingen; deze vallen nog gewoon onder de salariskosten van de Ministeries.

Dan moeten we het gesprek maar over een andere boeg gooien.
In 1991 was hij zowel Minister van Binnenlandse zaken als van Regionale Ontwikkeling, in het tussenkabinet Kraag welke werd aangesteld na de telefooncoup van december 1990. Met de portefeuille van Binnenlandse Zaken kwam natuurlijk de verantwoordelijkheid voor de logistieke organisatie van de verkiezingen van mei dat jaar. Hoe die ervaring was?
Breeveld vertelt dat er een standaard draaiboek en kalender is voor elke verkiezing, en dat de directeur van het Ministerie en de onderdirecteur (in zijn periode respectievelijk dhr. F. Troon en dhr. E. Van der San) daar belast mee zijn. En zij kenden het klappen van de zweep.

In 1991 was daar de additionele complicatie van de nasleep Binnenlandse Oorlog, waar de infrastructuur van het binnenland hevig onder had geleden. Hierdoor was de toegang tot grote delen van het achterland slecht.

Het was echter niet de toegankelijkheid van het binnenland waar Breeveld mee zat, het waren sommige van de, voor hem onbegrijpelijke, organisatorische keuzes. In dit kader verwijst hij naar artikel 157 van de Grondwet, dat o.a. stelt dat de structuur van de organen van de overheidsadministratie zodanig dient te zijn dat bureaucratisme wordt voorkomen. Een specifieke doorn in zijn oog waren daarom de uittreksels van het Bevolkingsregister. Deze zijn niet direct nodig bij verkiezingen, maar wel een bron van irritatie voor alle burgers. Voor elke handeling was er een uittreksel nodig, ook al had je een ID-kaart. Een hoop onnodige bureaucratische rompslomp dus, terwijl het bij wet is vastgelegd dat dit juist voorkomen dient te worden. Toen Breeveld aantrad als Minister zorgde hij dan ook ervoor dat de tirannie van het uittreksel werd doorbroken. Een mooie overwinning.

Maar aan die andere doorn in zijn oog heeft hij niets kunnen doen – de oproepingskaarten.

“Het bezorgen van de oproepingskaarten is een enorme kostenpost”, zegt Breeveld. Immers, elke kaart moet door minstens twee personen worden bezorgd. Als er niemand thuis is om de kaart(en) in ontvangst te nemen, dan moet het team nog een keer terug. Dat kost allemaal geld. Bovendien is de bezorging fraudegevoelig en kunnen partijsentimenten een rol spelen. In een notitie over het nut van oproepingskaarten geeft Bas Ahmadali aan dat het distributiesysteem verschillende fasen heeft gekend: gedurende lange tijd verliep de distributie via de bestuursambtenaren; daarna werd de
distributie toevertrouwd aan een team, bestaande uit de bestuursambtenaar en twee externe colporteurs, voorgedragen door de politieke partijen en behorende tot elkander bestrijdende partijen; en “zeker vanaf de verkiezingen van 2000 zijn de teams samengesteld slechts uit externe colporteurs of zoals OKB ze noemt ‘loyalisten’ van politieke partijen”. Breeveld beaamt dat er verhalen bekend zijn van bezorgers die huizen mijden waar vlaggen wapperen van partijen waar zij niet gecharmeerd van zijn.

Een oproepingskaart kostte in 2005 per kiezer srd 5,60 (srd 181.000 voor aanschaf en productie en bijna srd 1,5 miljoen srd voor distributie). Maar de oproepingskaarten verklaren slechts voor een klein deel de enorme kosten van onze verkiezingen. In Dagblad Suriname (29 juli 2014) geeft Hans Breeveld  aan dat “de verkiezingen in Suriname zo duur zijn omdat er nog teveel zaken handmatig gedaan worden terwijl dit ook machinaal kan. Zijns inziens wordt het handmatig systeem bewust in stand gehouden omdat het een vorm van werkverschaffing creëert die gebruikt wordt voor het zoet houden en faciliteren van mensen en het ‘winnen van zieltjes’.”

Als Minister werd hij geconfronteerd met een zaal vol mensen die stembiljetten met de hand vouwden en stempelden. Of het niet goedkoper was om een machine in te zetten, vroeg hij. Ach, was het lakonieke antwoord, ze moeten toch ook wat verdienen. “Verkiezingen in Suriname zouden als motto kunnen hebben: waarom goedkoop als het duur kan”, vindt Breeveld. 

Wel of geen oproepingskaarten?

In een notitie, geschreven voor de verkiezingen van 2010, geeft Bas Ahmadali een analyse van de plus- en minpunten van oproepingskaarten. Volgens hem kunnen oproepingskaarten aangemerkt worden als een meetinstrument om de juistheid en kwaliteit van de kiezerslijsten te controleren en te volgen.
Onbestelde oproepingskaarten zijn een indicator voor  de kwaliteit van de kiezerslijsten. Maar ook:  “Een oproepingskaart is meer dan een “uitnodiging” en heeft de functie van een “veiligheidscheck” bij de stemprocedure. Deze “veiligheidscheck” dient die garantie te bieden voor een transparante en eerlijke stembusgang. Bij het afschaffen van oproepingskaarten moet men zich dan ook afvragen welk systeem dan er in de plaats als vervanging wordt ingevoerd ter garandering van die transparantie en controle bij de stemprocedure. Bovendien is het de vraag of de juiste toepassing van de identiteitswet (ID-kaart) alsmede de toepassing van het gebruik van de verkiezingsinkt in voldoende mate de vervanging op de controlefunctie van oproepingskaarten kunnen waarborgen.
In dezelfde notitie geeft hij aan dat ook het Onafhankelijk Kiesbureau heeft gewezen op ernstige zwaktes in het distributiesysteem:
a) het systeem zelf waarbij loyalisten van politieke partijen worden ingezet om de kaarten te distribueren, werkt niet
b) elke keer doen zich calamiteiten voor, zoals het weggooien van de kaarten in trenzen
c) de districtscommissariaten zijn niet geschikt om de coördinatie van de distributie op zich te nemen.

Het rapport van de OAS waarnemingsmissie na de verkiezingen van 2010 geeft in deze het advies aan de verkiezingsautoriteiten om de 30.000 namen (van niet bezorgde oproepingskaarten) als ‘inactief’ te noteren in het kiesregister. “Een dergelijke aantekening zou leiden tot een meer accurate kiezerslijst en een preciezer getal van verkiezingsdeelname. Ze moeten uiteraard in het burgerregister worden bijgehouden.”

Bronnen:  

woensdag 3 december 2014

Een druk jaar voor de CLAD?

OAS pleit voor meer transparantie


(Afkomstig uit de State of Democracy Nieuwsbrief 2014. Voor de volledige nieuwsbrief, klik hier)


Dit jaar is er door diverse mensen vaker opgeroepen tot onderzoek door de Centrale Lands Accountantsdienst (CLAD), bijvoorbeeld naar vermeende onrechtmatige handelingen door de voormalige Districtscommissaris van Saramacca (nu DC van Coronie), voor Carifesta, het Ministerie van Sport en Jeugdzaken, aanbestedingen en het verstrekken van gunningen bij het Ministerie van Openbare Werken. Op 27 mei gaf de President in de Nationale Assemblee aan dat hij “via de Vice President de CLAD de opdracht heeft gegeven alle boeken na te gaan van minsteries en parastatale instellingen” (Starnieuws 27 mei 2014). Volgens Dagblad Suriname (11 augustust 2014) heeft de Minister van Financiën vervolgens aan de CLAD de opdracht gegeven onderzoek in te stellen op de Ministeries van Financiën, Volksgezondheid en Sociale Zaken. Of de rest van de Ministeries erna nog aan de beurt is gekomen is onduidelijk. Het lijkt er in elk geval op dat de CLAD een heel druk jaar heeft gehad.

Rol van de CLAD
De CLAD is de interne accountant van de overheid[1] en verricht namens de regering accountantscontrole op de ministeries, parastatale bedrijven en overheidsinstituten. De onderzoeken kunnen gedaan worden in opdracht van de Minister van Financiën, maar zij kan ook op eigen initiatief advies geven aan de Minister (Landbesluit van 28 december 1978). De CLAD steunt daarbij op de maatregelen van interne controle die er zijn binnen de ministeries; ze valt qua begroting en organisatie onder beheer van het Ministerie van Financiën, en moet ook jaarlijks rapporteren aan dit Ministerie. De CLAD is één van de organen van de Staat die corruptie moet helpen bestrijden.

Inter-Amerikaans Verdrag
Suriname ratificeerde in 2002 het Inter-Amerikaans Verdrag tegen Corruptie. Als onderdeel van de monitoring van dit verdrag (Mechanism for Follow-Up on the Implementation of the Inter-American Convention against Corruption – MESICIC) wordt elk land om de vier jaar bezocht door vertegenwoordigers van diverse andere verdragspartners (landen).

Suriname was in april 2014 aan de beurt; het rapport van het Monitoringscomité, gepubliceerd in september 2014[2], is opgesteld op basis van informatie die vooraf door de Staat is verzonden, en op basis van presentaties en gesprekken met diverse stakeholders (overheid, civil society, private sector) tijdens het comitébezoek in april 2014.

Het rapport beschrijft de taken, verantwoordelijkheden en functioneren van vier organen van de staat die verantwoordelijk zijn voor het voorkomen, ontdekken, bestraffen en bestrijden van corrupte handelingen: het Hof van Justitie, het Openbaar Ministerie, het Ministerie van Justitie en Politie; en de CLAD.

Capaciteit & processen
Hoewel er op papier een scheiding is tussen de taken van de CLAD, de Rekenkamer en de Interne Controle afdelingen van de Ministeries, constateert het OAS Comité dat deze scheiding in de praktijk niet zo duidelijk is, mede door een gebrek aan gecertificeerde accountants en auditors bij de Rekenkamer. Het gebrek aan wettelijk kader voor de uitvoering van het accountantsberoep, en de verouderde taakomschrijving van de CLAD zijn ook zorgpunten. Aangezien accountants vaker als consultants moeten worden ingehuurd, maakt de OAS zich zorgen over de regelgeving met betrekking tot onder andere belangenverstrengeling en aansprakelijkheid. Tijdens het bezoek van de OAS is ook door de CLAD aangegeven dat het gebrek aan standaardprocedures bij diverse overheidsorganen het moeilijk maakt om betrouwbare en tijdige informatie te verzamelen om zodoende corrupte handelingen te ontdekken.

Rapportage & toegang tot informatie
Het OAS Comité sprak ook haar bezorgdheid uit over het feit dat wanneer de CLAD bewijzen vindt van criminele handelingen, waaronder corruptie, deze uitsluitend worden gerapporteerd aan de Minister van Financiën. De Minister besluit vervolgens of het Openbaar Ministerie al dan niet wordt ingeschakeld. Het Comité heeft aangegeven dat, volgens het Verdrag, controleinstituten als de CLAD verplicht gesteld moeten worden om over dergelijke bewijzen rechtstreeks te rapporteren aan het Openbaar Ministerie.

Ook de communicatie met, en verantwoording aan het publiek moet beter, volgens het Comité. Zo stellen zij voor dat het via de website van de CLAD mogelijk moet zijn om anoniem klachten of bezwaren door te geven die gerelateerd zijn aan het werk van en door de CLAD, en daarnaast ook vermoedens van corrupte handelingen te rapporteren binnen de Overheid en parastatale instellingen die onder controle van de CLAD vallen. Dit moet gepaard gaan met duidelijke en transparante richtlijnen. Verder moeten de jaarverslagen van de CLAD inzichtelijk gemaakt worden via de website van de overheid en/of via andere wegen, zodanig dat de informatie publiekelijk toegankelijk is.

De enige informatie die de CLAD over haar onderzoeken ter beschikking kon stellen aan het OAS Comité, betrof het aantal onderzoeken, audits en adviezen per jaar, met een onderscheid naar overheid en parastatale bedrijven. Daaruit is niet zichtbaar om welke ministeries, afdelingen of bedrijven het gaat, hoeveel audits intern of extern waren, bij hoeveel er corrupte handelingen ontdekt zijn, hoeveel gevallen zijn gerapporteerd, in hoeverre de aanbevelingenworden opgevolgd, en hoeveel gelden als gevolg daarvan zijn teruggevorderd of personen vervolgd.

Mogen wij met de CLAD praten?
PROJEKTA benaderde, voor een artikel in deze nieuwsbrief, de CLAD voor een lijst van onderzoeken gedaan in 2014. Ook wilden we graag weten van de CLAD wat er na het afronden van de diverse onderzoeken is gebeurd met haar bevindingen, en (in haar eigen woorden) wat haar taken en bevoegdheden zijn. Daarnaast wilden we graag weten wat volgens de CLAD de meewerkende en tegenwerkende factoren zijn in haar functioneren.

Voor het verstrekken van de informatie over wat is onderzocht en de follow up daarvan, evenals voor een interview met de CLAD, bleken wij toestemming nodig te hebben van de Minister van Financiën. Wij verstuurden ons verzoek per email (op aanbeveling van het secretariaat van de Minister) op 11 november, waarbij we ook aangaven dat we uiteraard de tekst voor publicatie zouden kunnen voorleggen aan de CLAD- en indien gewenst ook de Minister en, dat wij als deadline voor het artikel 20 november hadden.  Na een aantal pogingen om antwoord op ons schrijven te krijgen, kregen we op 20 november van het secretariaat van de Minister de horen dat het geen zin meer had “want de deadline is verstreken”. Wij stonden op een schriftelijke reactie op onze mail en gaven ook aan dat wij de deadline konden opschuiven- het ging immers om onze eigen nieuwsbrief. Op 21 november ontvingen wij een schriftelijke reactie, dat het Ministerie van Financiën de informatie over gepleegd onderzoek niet kan verstrekken, maar dat die apart bij elk vakministerie aangevraagd moet worden, aangezien die de opdrachtgevers van de CLAD zijn. Het Ministerie van Financiën gaf aan slechts toestemming te kunnen geven voor het verstrekken van een korte beschrijving van de procedures en bevoegdheden door de CLAD.

Wij hadden geen behoefte meer aan dat gesprek, aangezien die informatie ook via andere wegen verkregen kan worden. Wat wel duidelijk is geworden, is dat ook binnen de Overheid men niet helemaal duidelijk lijkt te weten wie de eigenlijke opdrachtgever is van de CLAD en dat de aanbevelingen van de OAS nog steeds niet zijn opgevolgd.-


Voor de volledige nieuwsbrief klik hier


[1]Dit in tegenstelling tot de Rekenkamer van Suriname, die de externe accountant is: de onafhankelijke controleur namens de Nationale Assemblee.
[2]Het rapport en alle ondersteunende documenten zijn openbaar, en te downloaden via http://www.oas.org/juridico/english/sur.htm

dinsdag 2 december 2014

'State of our Democracy' nieuwsbrief 2014

Het is zover! 

Op donderdag 27 november vond de lancering van de vijfde 'State of our Democracy' nieuwbrief plaats. Het is dit jaar een twintig pagina's tellende publicatie geworden, met artikelen en informatie over diverse thema's die met Democratie te maken hebben. 

De onderwerpen varieren van een analyse van verkiezingsprogramma's, de organisatie en kosten van de verkiezingen, transparantie (of gebrek daaraan) van de resultaten van CLAD-onderzoeken, de toegankelijkeid van overheidsinformatie, tot een terugblik op tien jaar Jeugdparlement door oud leden van het Jeugdparlement.

Alle artikelen worden afzonderlijk ge-upload op onze blog, zodat ze snel op te zoeken en te lezen zijn, maar het volledig document (PDF, 1.11 MB) is hier te downloaden.

Veel leesplezier!

zondag 30 november 2014

10 JAAR JEUGDPARLEMENT- feestje?

(Afkomstig uit de State of Democracy Nieuwsbrief 2014. Voor de volledige nieuwsbrief, klik hier)


Het is dit jaar tien jaar geleden dat het Nationaal Jeugdparlement bij staatsbesluit is ingesteld. Reden voor een feestje dus. Of toch niet? Volgens het staatsbesluit is het doel van het NJP om het recht op participatie van de jeugd op bestuurlijk niveau tot uiting en volle beleving te brengen, waardoor het jeugdbeleid gericht en doelmatig wordt. Projekta ging in gesprek met oudvoorzitters en -ondervoorzitters van de cohorten van 2004, 2007 en 2010 om na te gaan hoe de afgelopen tien jaar invulling gegeven is aan dat doel.

Het formuleren van beleidsadviezen
Alle oud-jeugdparlementariërs noemen de district- en nationale congressen als belangrijkste bron van input voor het doen van voorstellen over het jongerenbeleid en als gestructureerd overlegmoment met de doelgroep. Jongeren maken bij de congressen de problemen die zij ervaren kenbaar. Bij de congressen in de beginperiode van het parlement werden dezelfde thema’s in alle districten besproken, maar in 2010 besloot de leiding van het NJP per district de thema’s vast te stellen. Het NJP is helaas niet in staat geweest elk jaar de congressen te organiseren, omdat de kosten voor de congressen niet worden opgenomen op de nationale begroting. Dit is volgens de voormalig NJP’ers een indicatie dat er geen prioriteit geven wordt aan het overleg met jeugdigen.

Een andere belemmering is het uitblijven van het wederom instellen van de Jeugd Advies Raad. Zonder de begeleiding van de raad zijn jeugdparlementariërs op zichzelf aangewezen bij de verwerking van adviezen aan de regering. Gebrek aan ervaring bij het formuleren van adviezen kan ervoor zorgen dat de stem van de jongeren ongehoord blijft.

Het NJP als consultatieorgaan
De afgelopen tien jaar is er onvoldoende invulling gegeven aan het NJP als consultatieorgaan. Volgens de voormalige leden zijn de geringe overlegmomenten van de afgelopen jaren veelal op initiatief van het NJP geweest, en dat na lang aandringen. Voor de doelgroep betekent dit dat er geen invloed kan worden uitgeoefend op geplande beleidsmaatregelen. Een beleidsmaatregel waarbij wel om input van het NJP is gevraagd, is de wet Kinderopvanginstellingen. Het voorstel van een van de oud-leden om in de vaste commissies van De Nationale Assemblee ook leden van het NJP op te nemen is nog niet van de grond gekomen.

Optreden als jeugdvertegenwoordigers
Door de jaren heen hebben de NJP-leden zitting genomen in verschillende stuurgroepen en deelgenomen aan verschillende nationale en internationale seminars en workshops, en uitwisselingsprogramma’s met andere jeugdparlementen. Zij worden ook uitgenodigd voor de jaarrede van de president en de begrotingsbehandelingen in de Nationale Assemblee.
Het gaat nog steeds om activiteiten die door volwassen geïnitieerd zijn, waarbij de jongeren slechts een adviserende rol hebben. Bij de vergaderingen in het parlement heeft de jeugdvertegenwoordiging slechts de rol van toehoorder. Op de participatieladder (zie kader) wordt deze vorm van participatie “decoratie” genoemd.

Moeizame beklimming van de ladder


Na tien jaar NJP in Suriname zitten zij voor wat daadwerkelijke jeugdparticipatie betreft op een van de laagste tredes van de participatieladder: kinderen of jeugdigen lijken een stem te hebben, maar hebben totaal geen invloed. Schijnparticipatie dus.

Waarom de veranderingen toch nog niet van de grond komen, is volgens een van de oud-leden te wijten aan de politieke invloed binnen het NJP. Deze zorgt nog voor teveel interne verdeeldheid. Nog vers in het geheugen staat de petitie die bij de laatst gehouden verkiezingen door zestien kandidaat jeugdparlementariërs bij de Kiescommissie is ingediend. De kandidaat jeugdparlementariërs beschuldigden de organisatie van de verkiezingen van o.a. het maken van propaganda voor de zogeheten “Action Youth” groep, die tot een der coalitiepartijen zou behoren (Starnieuws, 14 & 19 december 2013).

Zolang dit verschijnsel voortduurt, zal het NJP de participatieladder niet verder kunnen beklimmen. En het is na tien jaar wel tijd dat het NJP het voortouw neemt en proactiever gaat lobbyen bij beleidmakers voor meer inspraak van jongeren. Reden voor een feestje? Nog lang niet.




Nieuwe Dieptepunten- Inleiding State of our Democracy Nieuwsbrief 2014


Op donderdag jl presenteerden wij de 5e editie van de State of Democracy Nieuwsbrief. Hier alvast de inleiding..


Hoe vaak hebben we de afgelopen vijftien, twintig jaar niet verzucht: het kan niet erger worden dan dit. En dan verrassen de beleidsmakers en politici ons – ze boren met gemak nieuwe dieptepunten aan. 2014 is daar geen uitzondering op.

Is het echt alweer bijna vijf jaar geleden dat we naar de stembus gingen? Het is moeilijk te vatten, het afgelopen jaar leek het immers alsof we nooit van de campagnes af zijn geweest –elke aangelegenheid wordt aangegrepen om partijpolitiek te spelen. Een nieuw dieptepunt, vanwege de schaal waarop dit nu plaatsvindt, is de wijze waarop Partij en Staat synoniem lijken te zijn geworden voor de regerende partijen. Gronduitgifte ceremonieëen, Bigi Sma Dei, je kan het zo gek niet verzinnen – datgene waar burgers recht op hebben en wat met staatsmiddelen wordt gefinancierd, wordt gebracht als gunst van de partij. En de burgers laten het zich welgevallen.

De sfeer rond de verkiezingen lijkt nu al grimmiger dan voorheen, en de grimmigheid zal alleen maar erger worden, vrezen wij. Helaas is de strijd tot nu toe vooral toegespitst op het elkaar beschimpen, bespotten of beschuldigen en, het allergrofst, simpelweg strooien met geld. Wat we nauwelijks merken zijn discussies gebaseerd op heldere ideeën, terwijl in een volwassen democratie je toch minstens een ideeën- en ideologische strijd mag verwachten. En de kiezers laten het zich welgevallen.

Heeft u tijd om depressief te worden? Lees dan de regeringsverklaring, lees het Ontwikkelingsplan 2012-2016, lees het coalitie-akkoord. En ga na wat er van al die afspraken, mooie dromen en bloemrijke woorden is overgebleven. Opeenvolgende regeringen schrijven plannen, maar raken dan geconfronteerd met de gevolgen van de uitholling van capaciteit binnen de overheid – te danken aan alle politieke benoemingen. Ze raken hopeloos verstrikt in hun eigen interne machtsstrijd en het in de gaten houden van de coalitiegrenzen. Ministeries zijn partij-eilanden, en de eilanden praten niet met elkaar. Voor elk wissewasje moet de Ministerraad een besluit nemen, of de VP, of de coalitietop, of de President.  En monitoring van beleid is helemaal een vies begrip.
Is deze regering daar nu uitzonderlijk in? Welnee. Maar ergens is toch altijd de hoop dat een regering leert van de fouten van haar voorgangers. Als u deze nieuwsbrief leest, dan wordt duidelijk dat die hoop vooralsnog ijdel is.

Wat wij wensen voor het komend jaar is eigenlijk heel simpel: kiezers die niet meer stemmen voor de partij die hun persoonlijk belang, maar het algemeen belang willen en kunnen behartigen; dat we keuzes maken op basis van realistische en doordachte verkiezingsprogramma’s, die op tijd worden bekendgemaakt, begrijpelijk zijn, en nagerekend zijn. We hopen dat  kiezers – ondanks alle ergernis – toch nog gaan stemmen, maar dat ze goed nadenken voor ze dit dierbare recht uitoefenen – dat ze niet meer stemmen op politici die recht en rechtstaat aan hun laars lappen, corrupt zijn, vrouwen vernederen, onzichtbaar blijven, of gewoon wegblijven uit ’s lands vergaderzaal.

Waar we op hopen, zijn wakkere, kritische, actieve burgers. Zij alleen zijn de redding van ons land. -

(Afkomstig uit de State of Democracy Nieuwsbrief 2014. Voor de volledige nieuwsbrief, klik hier)


Rechten van Inheemsen: vraag en antwoord (vervolg mensenrechtenpanel)


Bij ons Mensenrechtenpanel, op 20 november, waren er nog een aantal vragen die, vanwege het late uur, niet meer aan bod zijn gekomen. We legden ze achteraf voor aan de panelleden. Hier Josee Artist van de Vereniging Inheemse Dorpshoofden in Suriname (VIDS) aan het woord.



De Universele Verklaring (mensenrechten) en andere verdragen zijn een algemene internationale leidraad voor de bescherming van de rechten van de mens. Moeten dan de gemeenschappen die bescherming niet vertalen naar hun eigen leefomstandigheden en cultuur?
Correct; universele mensenrechten zijn inderdaad universeel en moeten inderdaad vertaald worden naar de leefomstandigheden en cultuur van inheemsen.  Dat is ook gebeurd, na heel lang aandringen van inheemse volken overal ter wereld en 23 jaar en ‘onderhandelen’ met staatsvertegenwoordigers bij de VN, en heeft in 2007 geresulteerd in de aanname door de VN (en dus de lidstaten van de VN inclusief Suriname) van de VN Verklaring inzake de Rechten van Inheemse Volken (UN Declaration on the Rights of Indigenous Peoples in het Engels; afgekort UNDRIP).  Deze verklaring doet precies dát: het “vertalen” van bestaande mensenrechten naar de leefomstandigheden en cultuur van inheemse volken.  En die leefomstandigheden en cultuur hebben een sterk COLLECTIEF karakter; inheemse volken wonen in stamverband, met een eigen gezag en bestuurssystemen, eigen historische grondgebieden waarmee er een sterke historische, culturele en spirituele verbondenheid is, bezit en gebruik van natuurlijke hulpbronnen, eigen ontwikkelingsvisie, etc. en dat alles op een collectieve manier.  De UNDRIP geeft aan inheemse volken dus geen nieuwe of andere rechten, maar dezelfde rechten op een collectieve manier geïnterpreteerd.  De UNDRIP erkent bovendien dat inheemse volken, volken zijn, gelijk aan andere volken, met het recht op zelfbeschikking, dus het recht om voor en over zichzelf te beschikken en beslissen.  Ook dit recht is niet nieuw of anders; het is erkend in de VN Verdrag inzake Burger – en Politieke Rechten (BUPO) en in het VN Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten.
Het praktische probleem is, dat regeringen, ondanks het feit dat ze de UNDRIP zelf goedgekeurd hebben, op nationaal niveau geen consequenties daaraan willen verbinden en dus geen nationale wetgeving willen maken om deze rechten te kunnen doen gelden.  Er moet dan naar internationale wegen gegrepen worden, waar het internationaal recht geldt, en daar blijkt gelukkig wel dat op grond van bovengenoemde en andere mensenrechtenverdragen, de rechten van inheemse en tribale volken wel degelijk rechtskracht hebben.  Het sprekend voorbeeld daarvan is het Saramakkavonnis tegen de Staat Suriname waarin het bovengenoemde duidelijk tot uitdrukking komt.

Zullen er of worden er reeds acties ondernomen door het traditioneel gezag m.b.t. het decentralisatieproces? Hoe zien die acties eruit? 
Het traditioneel gezag participeert ook wel in hoorzittingen.  Maar waar we eigenlijk naar streven is erkenning van het zelfbeschikkingsrecht.  Het decentralisatieproces erkent dat niet; het erkent alleen het overheidsgezag en gaat voorbij aan de werkelijke situatie waarin grote delen van de bevolking Suriname door traditioneel gezag wordt bestuurd dat in dagelijks contact met het volk staat en op een heel andere manier besluiten neemt dan overheidsmechanismen.  VIDS heeft hier vaker over geprotesteerd bij ministerie RO en bij de IDB als financierder van het decentralisatieproject maar het is praten tegen dovemansoren want het komt hen niet goed uit.  Men verschuilt zich achter de huidige, deficiënte Surinaamse wetgeving (zie ook antwoord op volgende vraag).  Er zijn voorstellen ingediend voor wettelijke erkenning van het traditioneel gezag maar de conceptwet die is gemaakt, is door één individu gemaakt zonder enige inspraak vanuit het traditioneel gezag, tegen alle afspraken in om wel degelijk effectieve participatie van het traditioneel gezag in de totstandkoming van die conceptwet te hebben.

Waarom moeten de Inheemsen speciale grondenrechten krijgen? Ze kunnen toch ook grond aanvragen of kopen, zoals alle andere mensen? 
Zie ook antwoord vraag 1.  Een belangrijk aspect is de rechtvaardigheid; de grond IS van de inheemsen; waarom zouden ze nu hun eigen grond moeten gaan aanvragen of kopen?  De kolonisatoren hebben in naam van de Koning en zelfs in naam van God, grond van de inheemse volken gestolen of op andere gewelddadige wijze afgepakt; daarna wetgeving gemaakt om die grond tot hun “eigendom” te maken; zomaar, zonder toestemming of zelfs zonder medeweten van de inheemse volken zelf.  Postkoloniale regeringen hebben de koloniale wetgeving al dan niet gewijzigd om het historisch onrecht recht te trekken.  Suriname dus niet.  Opeenvolgende regeringen zijn wat dat betreft in de schoenen van de vroegere kolonisatoren gaan staan en doen alsof de grond van hun is.  Wettelijk misschien wel ja, maar dat is dus als er naar de wet wordt gekeken met oogkleppen op voor de eeuwenlange volkenmoord, slavernij en discriminatie die eraan kleeft.  Als we over “dekolonisatie” praten is deze kwestie een heel groot onderdeel daarvan.
 
Zelfs als we “het verleden terzijde leggen”, dan nog is de huidige wetgeving niet genoeg voor het collectief eigendom van inheemse volken op hun gronden en natuurlijke hulpbronnen.  In Suriname zijn alleen individuele titels op grond beschikbaar (grondhuur; eigendomsrecht) of concessies (gebruiksrechten). Inheemsen leven in collectief verband en willen, als het om hun dorpsgebied gaat, geen individuele titel. Het gaat om hun gehele leef- en woongebied dat een collectieve titel moet krijgen en dat moet in wetgeving worden opgenomen. Een individuele titel verbreekt de cultuur van gemeenschappelijk en in stamverband leven.  Dat stukje grond kan worden verkocht, verpand, opgeëist en last but not least, de overheid blijft zeggenschap erover behouden en kan de titel weer intrekken, vooral als het gaat om grondhuur!  Het niet willen erkennen van eigendom in collectief verband is in feite een uiting van het superioriteitsgevoel van de westerse cultuur bóven de collectief gezinde inheemse cultuur.  Waarom moeten inheemse volken zich “aanpassen” aan de koloniale wetgeving die alleen individuele titels kent??  Om hun cultuur te verliezen??  Om slechts burgers te worden die gemanipuleerd kunnen worden elke vijf jaar??  Om hun grondgebieden kwijt te raken zodat grootgrondbezitters die gronden van hun politieke vrienden kunnen krijgen??  

Mensen met een beperking, vraag en antwoord(vervolg Mensenrechtenpanel)


Bij ons Mensenrechtenpanel van 20 november, zijn een aantal vragen niet aan bod gekomen vanwege het late uur. Hier geeft panellid Natasia Hanenberg-Agard, directeur van de Nationale Stichting Blindenzorg antwoord op die vragen. 

Vraag 1. Moet er ook een quota voor bedrijven komen, voor aantal mensen met een beperking (dat ze minstens in dienst moeten nemen-sg)
Dit is een mogelijkheid om bedrijven te verplichten deze groep in dienst nemen. Bedrijven moeten gestimuleerd worden om eventueel samen et een job coach, de mogelijkheden van de persoon te matchen met beschikbare functies. In sommige gevallen kunnen zelfs nieuwe jobs gecreëerd worden. Met de juiste begeleiding en aanpassingen op de werkplek en hulpmiddelen, kan iemand met een beperking even goed en zelfs beter functioneren dan iemand zonder zichtbare beperking.

Vraag 2. Wordt er gewerkt aan scholing voor personeel dat werkt met mensen met een beperking? Het lijkt erop alsof ze gewoon te werk worden gesteld.
Werken met mensen met een beperking is niet eenvoudig omdat vaak specialistische kennis voor nodig is.  De individuele organisaties trachten hun personeel zo goed mogelijk op te leiden. Afhankelijk van het budget, nationale en internationale contacten en natuurlijk motivatie van het personeel zelf, kan hier invulling aan gegeven worden.

Vraag 3. Welke zijn de 3 belangrijkste en haalbare zaken die gerealiseerd moeten worden voor deze groep burgers
1.     Goed georganiseerd zorgvervoer. Zorgvervoer moet landelijk beschikbaar zijn en 1x24 uur ter beschikking.
2.     Optimale onderwijs- en andere ontwikkelingsmogelijkheden,zodat de zelfstandigheid van deze groep bevorderd wordt.
3.     Het bevorderen van de toegankelijkheid tot gebouwen en openbare wegen: zoals hellingen voor rolstoelgebruikers, voelbare belijningen voor blinden en slechtzienden, duidelijk zichtbare borden/aanwijzingen. Goede doorgang in gebouwen , winkels etc. vrij van obstakels.

Een randvoorwaarde hierbij is de verhoging van de financiële bijstand en de garantie dat de doelgroep er maandelijks op kan rekenen. Voor velen is dit de enige bron van inkomsten.

Vrouwenrechten Vraag en Antwoord (vervolg mensenrechtenpane)


       Bij ons Mensenrechtenpanel, op 20 november, waren er nog een aantal vragen die, vanwege het late uur, niet meer aan bod zijn gekomen. We legden ze achteraf voor aan de panelleden. Hier Carla Bakboord, van het Women's Rights Centre aan het woord.


Vraag 1. De achterstandspositie die vrouwen op dit moment innemen met name in de politiek, is dit niet te danken aan de vrouw zelf?
De achterstandspositie van vrouwen heeft alles te maken met de manier waarop de samenleving ( dus zowel mannen als vrouwen) vrouwen en mannen positioneren. En die positie is ongelijkwaardig en ongelijk.  Ongelijkwaardig in die zin dat aan onder andere vrouwenrollen, taken en verantwoordelijkheden minder waarde wordt toegekend dan aan die van mannen. Zowel jongens als meisjes, vrouwen als mannen leren vanuit diverse instituties , waaronder de media, onderwijs, literatuur, politiek, religie, wetgeving etc.. dat vrouwen ondergeschikt zijn aan mannen. Dat uit zich in de toegang hebben tot allerlei bronnen. Zo zien we dat mannen en vrouwen niet in gelijke mate toegang hebben tot die bronnen. (gelijkheid) Die opvatting is ook in de hoofden van vrouwen. Meisjes en vrouwen worden niet opgevoed op een andere planeet. Zij krijgen dus dezelfde boodschappen als jongens en mannen. En vinden vele vrouwen dat vrouwen dus ondergeschikt behoren te zijn aan mannen. Daarom richten wij, WRC, ons zowel op vrouwen en mannen in de strijd voor genderongelijkheid om  de achterstandspositie van vrouwen moet opheffen. Echter, mannen hebben onder andere een achterstand in de reproductieve taken en zorg. Ook daar zal die achterstand opgeheven moeten worden.


Vraag 2. Gendergelijkheid en gelijke behandeling, bejegening en waardering zal dan pas bevorderd worden wanneer de biologische verschillen tussen man en vrouw in het bewustzijn van de mens geminimaliseerd worden. Eens?
Ik begrijp de denkwijze van deze vraag wel. Echter ben ik het er  niet mee  eens .Want als we ons alleen zouden houden aan de biologische verschillen zonder daar een (gender) norm en waarde aan te geven, is er geen situatie van de genderongelijkheid. Maar… omdat we de biologische verschillen hebben vertaald in wat de twee seksen wel en niet mogen (gender) is die ongelijkheid en ongelijkwaardigheid binnengedrongen in ons denken en handelen. Gender verwijst ook naar  de betekenis die we geven aan vrouwelijkheid en mannelijkheid. Biologische verschillen leiden namelijk niet vanzelfsprekend tot genderongelijkheid. Voorbeeld: in zowel heteroseksuele als homoseksuele relaties komt genderongelijkheid voor. En die zijn niet allen gebaseerd op biologische verschillen, maar op gender gerelateerde opvattingen over  mannelijkheid en vrouwelijkheid. En welke macht en positie we toeschrijven aan mannelijkheid en vrouwelijkheid. Vrouwelijkheid staat dan traditioneel voor zwak, en ondergeschikt. En mannelijkheid voor sterk en superieur. Vrouwelijkheid kan de man worden toegeschreven. Die bevindt zich dan in een ondergeschikte positie ten opzichte van de ander die de positie van mannelijkheid bekleedt. Dit heeft dan niets meer te maken met biologische verschillen maar met genderverschillen.